
Ondernemers moeten bij de vaststelling van de winst rekening houden met de voorschriften van goed koopmansgebruik. Volgens goed koopmansgebruik moet bij de waardering van vorderingen rekening gehouden worden met alle omstandigheden die op de balansdatum van invloed zijn op de waarde van de vordering. Deze omstandigheden worden in de waardering betrokken naar de toestand, zoals die bij het opmaken van de balans bekend is. Het is toegestaan om een aantal vorderingen afzonderlijk te waarderen en de overige vorderingen gezamenlijk te waarderen. Bij een gezamenlijke waardering mag een ondernemer alleen met het risico van oninbaarheid rekening houden wanneer aannemelijk is dat dit risico op de balansdatum aanwezig was. De ondernemer dient een lagere waardering van vorderingen te bewijzen.
Een ondernemer die de vorderingen op de slotbalans van 2003 met een bedrag van € 150.000 afwaardeerde, maakte dat niet aannemelijk. De ondernemer had voor de afwaardering als reden opgegeven dat hij vermoedde dat de debiteurenstand per 1 januari 2003 te hoog in zijn administratie was opgenomen door een onjuiste verwerking van correcties over voorgaande jaren. De rechtbank en het hof vonden dat onvoldoende argumentatie. Een dergelijke correctie zou zowel op 1 januari 2003 als op 31 december 2003 moeten worden doorgevoerd en dus geen gevolg hebben voor de winst van dit jaar. Omdat de ondernemer geen overzicht had verstrekt van de werkelijke stand van de debiteuren per 1 januari en 31 december 2003 viel de juistheid van de afboeking niet te verifiëren.