Ontbreken tariefgroep voor neven en nichten
Schenkingen en erfenissen zijn belast met schenkings- resp. successierecht. De hoogte van het schenkings- en het successierecht is afhankelijk van de relatie tussen de schenker of de erflater en de verkrijger en van de omvang van de verkrijging. Hoe minder sterk de band en hoe groter de verkrijging, des te hoger wordt de belasting. Afhankelijk van de band met de erflater of schenker zijn de verkrijgers in verschillende tariefgroepen ingedeeld.
In tariefgroep I vallen de echtgenoot, kinderen en (achter)kleinkinderen.
In tariefgroep II vallen broers en zusters en de (groot)ouders.
Alle niet in een andere tariefgroep ingedeelde personen vallen in tariefgroep III.
Dat geldt bijvoorbeeld voor de kinderen van broers en zusters van de erflater. Ondanks de familieband worden zij wat betreft de tariefstelling gelijkgesteld met willekeurige derden.
In een procedure oordeelde Hof Den Haag dat de wetgever in redelijkheid heeft kunnen besluiten om verkrijgingen door kinderen van broers of zusters niet gelijk te stellen met verkrijgingen door verkrijgers in tariefgroep I of II. De wetgever heeft bij dergelijke beslissingen een ruime beoordelingsvrijheid. De opvatting van de wetgever moet worden geƫerbiedigd tenzij dat tot een onredelijk resultaat zou leiden.
De vroeger bestaande aparte tariefgroep voor kinderen van broers of zusters van de erflater is met ingang van 1 januari 1981 vervallen. De wetgever rechtvaardigde deze wijziging met een beroep op het zogenoemde buitenkanskarakter als grondslag voor het successierecht. Het tot 1 januari 1981 bestaande zeer verfijnde onderscheid naar de aard van de verwantschap was door de tijd achterhaald en kon de daaraan verbonden verschillen van belasting niet meer dragen. Naar het oordeel van de Hoge Raad hield dat een redelijke grond in voor het verschil in behandeling. Ook bij het vaststellen van het maximale tarief voor tariefgroep III van 68% overschreed de wetgever de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid niet. Er is geen sprake van een excessieve last.
Schenkingen en erfenissen zijn belast met schenkings- resp. successierecht. De hoogte van het schenkings- en het successierecht is afhankelijk van de relatie tussen de schenker of de erflater en de verkrijger en van de omvang van de verkrijging. Hoe minder sterk de band en hoe groter de verkrijging, des te hoger wordt de belasting. Afhankelijk van de band met de erflater of schenker zijn de verkrijgers in verschillende tariefgroepen ingedeeld.
In tariefgroep I vallen de echtgenoot, kinderen en (achter)kleinkinderen.
In tariefgroep II vallen broers en zusters en de (groot)ouders.
Alle niet in een andere tariefgroep ingedeelde personen vallen in tariefgroep III.
Dat geldt bijvoorbeeld voor de kinderen van broers en zusters van de erflater. Ondanks de familieband worden zij wat betreft de tariefstelling gelijkgesteld met willekeurige derden.
In een procedure oordeelde Hof Den Haag dat de wetgever in redelijkheid heeft kunnen besluiten om verkrijgingen door kinderen van broers of zusters niet gelijk te stellen met verkrijgingen door verkrijgers in tariefgroep I of II. De wetgever heeft bij dergelijke beslissingen een ruime beoordelingsvrijheid. De opvatting van de wetgever moet worden geƫerbiedigd tenzij dat tot een onredelijk resultaat zou leiden.
De vroeger bestaande aparte tariefgroep voor kinderen van broers of zusters van de erflater is met ingang van 1 januari 1981 vervallen. De wetgever rechtvaardigde deze wijziging met een beroep op het zogenoemde buitenkanskarakter als grondslag voor het successierecht. Het tot 1 januari 1981 bestaande zeer verfijnde onderscheid naar de aard van de verwantschap was door de tijd achterhaald en kon de daaraan verbonden verschillen van belasting niet meer dragen. Naar het oordeel van de Hoge Raad hield dat een redelijke grond in voor het verschil in behandeling. Ook bij het vaststellen van het maximale tarief voor tariefgroep III van 68% overschreed de wetgever de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid niet. Er is geen sprake van een excessieve last.