
De wet geeft de inspecteur de bevoegdheid om voorlopige aanslagen op te leggen. Voorlopige aanslagen mogen niet hoger worden vastgesteld dan op het bedrag waarop de (definitieve) aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld. De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 bevat nadere regels voor het opleggen van voorlopige aanslagen. Daarin staat ondermeer dat gegevens die hebben gediend voor de vaststelling van de meest recente belastingaanslag over het meest recente kalenderjaar kunnen dienen als uitgangspunt voor het opleggen van een voorlopige aanslag. De inspecteur moet bij het opleggen van een voorlopige aanslag en vooral bij het bepalen van de hoogte van de vermoedelijke belastingschuld rekening houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Een inspecteur die in een voorlopige aanslag inkomstenbelasting over 2008 een flink bedrag aan inkomen in box 2 opnam, handelde volgens Hof Den Haag niet zorgvuldig. In 2007 had de belastingplichtige een bedrag van € 250.000 aan inkomen in box 2 genoten. In dat jaar gold een lager tarief voor inkomsten in box 2. De inspecteur had zich daarom moeten afvragen of het wel voor de hand lag dat de belanghebbende ook in 2008 box 2 inkomen zou hebben en zo ja, voor welk bedrag. Door de voorlopige aanslag volledig geautomatiseerd te regelen nam de inspecteur het risico dat de voorlopige aanslag veel te hoog zou worden vastgesteld. In dat geval is sprake van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid, die kan leiden tot het moeten betalen van een proceskostenvergoeding.
De Hoge Raad is van oordeel dat de inspecteur bij het vaststellen van de voorlopige aanslag 2008 rekening had moeten houden met gegevens over jaren vóór 2007, dat het de inspecteur duidelijk moet zijn geweest dat het bedrag van die voorlopige aanslag vermoedelijk hoger was dan toelaatbaar was, dat de inspecteur niet de zorgvuldigheid heeft betracht die in redelijkheid van hem mocht worden gevergd, en dat de inspecteur als gevolg daarvan een te hoge voorlopige aanslag heeft opgelegd. Volgens de Hoge Raad heef het hof terecht geoordeeld dat sprake was van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid.