Onjuiste kwalificatie aandelentransactie geen opzet, wel grove schuld
In verband met de opbrengst van een aandelentransactie legde de belastingdienst een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op over het jaar 1989. Daarbij werd een boete opgelegd van 100 % van de nagevorderde belasting. Hof Den Bosch verminderde de navorderingsaanslag tot één naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.532.470 en verminderde de boete tot 40 % van de nagevorderde belasting. De Hoge Raad stelde vast dat de belanghebbende niet opzettelijk een onjuiste aangifte had ingediend. Hij had in zijn aangifte geen gegevens verzwegen en geen onjuiste informatie verstrekt over de feitelijke gang van zaken. De juridische kwalificatie die hij aan de transactie gaf bleek achteraf niet juist. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en verwees het geding naar Hof Arnhem om vast te stellen of de belanghebbende grove schuld kon worden verweten. Mede gelet op een arrest dat betrekking had op één van de andere deelnemers aan de transactie kwam het Hof tot het oordeel dat de belanghebbende door de inspecteur niet op de hoogte te stellen van alle relevante feiten zo lichtvaardig had gehandeld dat door grove schuld van de belanghebbende aanvankelijke te weinig belasting was geheven. Het Hof vond een boete van 25 % gerechtvaardigd. Gezien de lange duur van de procedure was het Hof van oordeel dat de redelijke termijn van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens was overschreden. Daarom verminderde het Hof de boete tot 15 % van de nagevorderde belasting.
In verband met de opbrengst van een aandelentransactie legde de belastingdienst een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op over het jaar 1989. Daarbij werd een boete opgelegd van 100 % van de nagevorderde belasting. Hof Den Bosch verminderde de navorderingsaanslag tot één naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.532.470 en verminderde de boete tot 40 % van de nagevorderde belasting. De Hoge Raad stelde vast dat de belanghebbende niet opzettelijk een onjuiste aangifte had ingediend. Hij had in zijn aangifte geen gegevens verzwegen en geen onjuiste informatie verstrekt over de feitelijke gang van zaken. De juridische kwalificatie die hij aan de transactie gaf bleek achteraf niet juist. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en verwees het geding naar Hof Arnhem om vast te stellen of de belanghebbende grove schuld kon worden verweten. Mede gelet op een arrest dat betrekking had op één van de andere deelnemers aan de transactie kwam het Hof tot het oordeel dat de belanghebbende door de inspecteur niet op de hoogte te stellen van alle relevante feiten zo lichtvaardig had gehandeld dat door grove schuld van de belanghebbende aanvankelijke te weinig belasting was geheven. Het Hof vond een boete van 25 % gerechtvaardigd. Gezien de lange duur van de procedure was het Hof van oordeel dat de redelijke termijn van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens was overschreden. Daarom verminderde het Hof de boete tot 15 % van de nagevorderde belasting.