Ondanks tijdelijk verblijf op Antillen was woonplaats in Nederland behouden
In een aantal procedures voor Hof Den Haag was de woonplaats van iemand inzet van geschil. Het ging om de DGA van een groot concern, die in verband met de overdracht van het bedrijf en een deel van zijn vermogen aan de kinderen tijdelijk op Curaçao was gaan wonen. De Nederlandse belastingdienst was van mening, dat hij desondanks in Nederland was blijven wonen. Hof Den Haag was van oordeel dat de inspecteur bewezen had, dat de DGA zijn woonplaats in Nederland had. Van belang vond het Hof, dat: - hij de enige statutaire directeur van het in Nederland gevestigde internationaal opererende concern was en hij zowel juridisch als feitelijk de zeggenschap had;- hij duurzaam een woongelegenheid in Nederland had, zowel in de vorm van een door de BV ter beschikking gestelde woning als van een zeewaardig en voor permanente bewoning geschikt jacht;- de telefoon en het beveiligingsabonnement in de woning zijn aangehouden;- de omroepbijdrage voor het jaar 1997 is voldaan;- er meerdere bankrekeningen in Nederland werden aangehouden en gebruikt;- de Nederlandse ziektekostenverzekering werd voortgezet en de huisarts en tandarts in Nederland werden aangehouden, terwijl er in Nederland medische specialisten werden bezocht;- diverse bestaande lidmaatschappen werden aangehouden.De DGA had volgens het Hof bewezen, dat hij eveneens zijn woonplaats op Curaçao had in die periode. In een dergelijk geval is een natuurlijke persoon volgens de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) inwoner van het land waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen). Volgens het Hof waren de betrekkingen met Nederland het nauwst, zodat de woonplaats van de DGA Nederland was. Dat had tot gevolg, dat de Nederlandse aanslag schenkingsrecht aan de kinderen terecht was opgelegd, evenals de aanslagen inkomstenbelasting wegens binnenlandse belastingplicht.
In een aantal procedures voor Hof Den Haag was de woonplaats van iemand inzet van geschil. Het ging om de DGA van een groot concern, die in verband met de overdracht van het bedrijf en een deel van zijn vermogen aan de kinderen tijdelijk op Curaçao was gaan wonen. De Nederlandse belastingdienst was van mening, dat hij desondanks in Nederland was blijven wonen. Hof Den Haag was van oordeel dat de inspecteur bewezen had, dat de DGA zijn woonplaats in Nederland had. Van belang vond het Hof, dat: - hij de enige statutaire directeur van het in Nederland gevestigde internationaal opererende concern was en hij zowel juridisch als feitelijk de zeggenschap had;- hij duurzaam een woongelegenheid in Nederland had, zowel in de vorm van een door de BV ter beschikking gestelde woning als van een zeewaardig en voor permanente bewoning geschikt jacht;- de telefoon en het beveiligingsabonnement in de woning zijn aangehouden;- de omroepbijdrage voor het jaar 1997 is voldaan;- er meerdere bankrekeningen in Nederland werden aangehouden en gebruikt;- de Nederlandse ziektekostenverzekering werd voortgezet en de huisarts en tandarts in Nederland werden aangehouden, terwijl er in Nederland medische specialisten werden bezocht;- diverse bestaande lidmaatschappen werden aangehouden.De DGA had volgens het Hof bewezen, dat hij eveneens zijn woonplaats op Curaçao had in die periode. In een dergelijk geval is een natuurlijke persoon volgens de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) inwoner van het land waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen). Volgens het Hof waren de betrekkingen met Nederland het nauwst, zodat de woonplaats van de DGA Nederland was. Dat had tot gevolg, dat de Nederlandse aanslag schenkingsrecht aan de kinderen terecht was opgelegd, evenals de aanslagen inkomstenbelasting wegens binnenlandse belastingplicht.