Ondanks jaarlijks langdurig verblijf in Spanje woonde erflater in Nederland

Een Nederlander woonde sinds een groot gedeelte van het jaar in Spanje. Hij woonde daar samen met twee vrienden. De ene vriend woonde daar permanent. Met de andere vriend had hij in Nederland een huis. Beiden stonden op dat adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Na het overlijden van deze vriend bleef hij de woning gebruiken als hij in Nederland was. Toen hijzelf overleed was voor het successierecht in geschil of zijn woonplaats in Nederland of in Spanje was gelegen. Voor de beoordeling van de woonplaats waren de volgende omstandigheden van belang. De erflater was als enige bewoner van de woning in Nederland in de gemeentelijke registers ingeschreven. De woning stond aan de erflater continu ter beschikking, was permanent volledig ingericht en op de diverse nutsvoorzieningen aangesloten. De nalatenschap van erflater bestond hoofdzakelijk uit effecten, tegoeden bij een Nederlandse bank, drie in Nederland gelegen onroerende zaken en de woning te Spanje. De erflater deed in Nederland aangifte voor de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen en voor de vermogensbelasting. In die aangiften was zijn adres in Nederland vermeld als woonadres. Deze woning werd steeds als eigen woning aangegeven; de Spaanse woning werd als tweede woning aangegeven. De Nederlandse belastingdienst heeft de erflater steeds als binnenlands belastingplichtige aangemerkt. Het hof was van oordeel, dat de erflater zijn woonplaats in Nederland had. Op de verkrijging door de permanent in Spanje wonende vriend was niet de vrijstelling en het tarief voor samenwoners van toepassing. Van belang daarvoor was, dat in de tien jaren voor het overlijden van de erflater er gedurende vier maanden per jaar geen sprake was van een gemeenschappelijk hoofdverblijf. In die maanden woonden zij gescheiden van elkaar en hebben zij geen gemeenschappelijke huishouding gevoerd.
Een Nederlander woonde sinds een groot gedeelte van het jaar in Spanje. Hij woonde daar samen met twee vrienden. De ene vriend woonde daar permanent. Met de andere vriend had hij in Nederland een huis. Beiden stonden op dat adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Na het overlijden van deze vriend bleef hij de woning gebruiken als hij in Nederland was. Toen hijzelf overleed was voor het successierecht in geschil of zijn woonplaats in Nederland of in Spanje was gelegen. Voor de beoordeling van de woonplaats waren de volgende omstandigheden van belang. De erflater was als enige bewoner van de woning in Nederland in de gemeentelijke registers ingeschreven. De woning stond aan de erflater continu ter beschikking, was permanent volledig ingericht en op de diverse nutsvoorzieningen aangesloten. De nalatenschap van erflater bestond hoofdzakelijk uit effecten, tegoeden bij een Nederlandse bank, drie in Nederland gelegen onroerende zaken en de woning te Spanje. De erflater deed in Nederland aangifte voor de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen en voor de vermogensbelasting. In die aangiften was zijn adres in Nederland vermeld als woonadres. Deze woning werd steeds als eigen woning aangegeven; de Spaanse woning werd als tweede woning aangegeven. De Nederlandse belastingdienst heeft de erflater steeds als binnenlands belastingplichtige aangemerkt. Het hof was van oordeel, dat de erflater zijn woonplaats in Nederland had. Op de verkrijging door de permanent in Spanje wonende vriend was niet de vrijstelling en het tarief voor samenwoners van toepassing. Van belang daarvoor was, dat in de tien jaren voor het overlijden van de erflater er gedurende vier maanden per jaar geen sprake was van een gemeenschappelijk hoofdverblijf. In die maanden woonden zij gescheiden van elkaar en hebben zij geen gemeenschappelijke huishouding gevoerd.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u