Omzetting nabestaandenlijfrente door begunstigde was geen afkoop
Zowel in 1994 als in 1995 sloot iemand een lijfrenteovereenkomst met een verzekeringsmaatschappij. De overeenkomst bevatte een oudedagslijfrente en een nabestaandenlijfrente voor zijn echtgenote. In beide jaren trok de verzekeringnemer de door hem betaalde premie als persoonlijke verplichting af van zijn belastbare inkomen.In 1996 overleed hij. Zijn echtgenote kreeg daardoor recht op de termijnen van de nabestaandenlijfrenten. De rechten op deze lijfrenten liet zij nog in 1996 omzetten in een lijfrente, waarvan de termijnen zouden ingaan in 1999. Voor Hof Leeuwarden was in geschil of er sprake was van een belaste afkoop of van een vrijstelde voortzetting van de oude door een nieuwe lijfrente. Het Hof was van oordeel dat het de echtgenote niet was toegestaan om het tijdstip van ingang van de termijnen van de lijfrente te wijzigen zonder gevolgen voor de genoten premieaftrek. Volgens de Hoge Raad maakt de tekst van de wet geen onderscheid tussen het geval waarin de verzekeringnemer zelf de door hem bedongen lijfrente omzet in een andere lijfrente en het geval waarin de begunstigde na de ingang van de lijfrente de overeengekomen lijfrente omzet in een andere lijfrente. De enige voorwaarde is dat zowel de eerste als de tweede lijfrente een lijfrente moet zijn als bedoeld in de wet. Dat de nieuwe lijfrente aan de gestelde voorwaarde voldeed was hier niet in geschil.
Zowel in 1994 als in 1995 sloot iemand een lijfrenteovereenkomst met een verzekeringsmaatschappij. De overeenkomst bevatte een oudedagslijfrente en een nabestaandenlijfrente voor zijn echtgenote. In beide jaren trok de verzekeringnemer de door hem betaalde premie als persoonlijke verplichting af van zijn belastbare inkomen.In 1996 overleed hij. Zijn echtgenote kreeg daardoor recht op de termijnen van de nabestaandenlijfrenten. De rechten op deze lijfrenten liet zij nog in 1996 omzetten in een lijfrente, waarvan de termijnen zouden ingaan in 1999. Voor Hof Leeuwarden was in geschil of er sprake was van een belaste afkoop of van een vrijstelde voortzetting van de oude door een nieuwe lijfrente. Het Hof was van oordeel dat het de echtgenote niet was toegestaan om het tijdstip van ingang van de termijnen van de lijfrente te wijzigen zonder gevolgen voor de genoten premieaftrek. Volgens de Hoge Raad maakt de tekst van de wet geen onderscheid tussen het geval waarin de verzekeringnemer zelf de door hem bedongen lijfrente omzet in een andere lijfrente en het geval waarin de begunstigde na de ingang van de lijfrente de overeengekomen lijfrente omzet in een andere lijfrente. De enige voorwaarde is dat zowel de eerste als de tweede lijfrente een lijfrente moet zijn als bedoeld in de wet. Dat de nieuwe lijfrente aan de gestelde voorwaarde voldeed was hier niet in geschil.