Omzetting lening in lijfrenteverplichting voorkwam beperking renteaftrek niet
De enig aandeelhouder van een BV richtte een nieuwe BV op. Hij verkocht alle aandelen van de oude BV aan de nieuwe BV voor € 5,5 miljoen. De nieuwe BV bleef de koopsom schuldig. De verkoper had het recht om de verplichting tot betaling van de koopsom om te zetten in een lijfrenteovereenkomst. In 1999 maakte de verkoper van dat recht gebruik.De BV voegde in 2002 een bedrag van € 268.957 toe aan de lijfrentevoorziening ten laste van haar winst. De inspecteur weigerde de aftrek van dit bedrag op grond van de wetsbepaling die de aftrek van rente uitsluit voor leningen die als eigen vermogen functioneren. In geschil was of de dotatie aan de lijfrentevoorziening onder deze wetsbepaling viel. De rechtbank Breda was van oordeel dat de verkoop van de aandelen aan de nieuw opgerichte BV niets anders was dan een zogenaamde verhanging. Dat er geen civielrechtelijke geldlening maar een lijfrenteverplichting tegenover stond vond de rechtbank niet van belang voor de toepassing van de renteaftrekbeperking. De wetsbepaling is bedoeld ter voorkoming van uitholling van de heffingsgrondslag in de vennootschapsbelasting door de omzetting van eigen vermogen in vreemd vermogen zonder bedrijfseconomische reden. Dat was hier aan de orde. Aan de verkoop en het daarmee samenhangende schuldig blijven van de koopsom en de omzetting daarvan in een lijfrenteverplichting lagen geen overwegend zakelijke redenen ten grondslag. De antimisbruikbepaling uit de wet was naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de vrijheid van het kapitaalverkeer volgens het EG-verdrag.
De enig aandeelhouder van een BV richtte een nieuwe BV op. Hij verkocht alle aandelen van de oude BV aan de nieuwe BV voor € 5,5 miljoen. De nieuwe BV bleef de koopsom schuldig. De verkoper had het recht om de verplichting tot betaling van de koopsom om te zetten in een lijfrenteovereenkomst. In 1999 maakte de verkoper van dat recht gebruik.De BV voegde in 2002 een bedrag van € 268.957 toe aan de lijfrentevoorziening ten laste van haar winst. De inspecteur weigerde de aftrek van dit bedrag op grond van de wetsbepaling die de aftrek van rente uitsluit voor leningen die als eigen vermogen functioneren. In geschil was of de dotatie aan de lijfrentevoorziening onder deze wetsbepaling viel. De rechtbank Breda was van oordeel dat de verkoop van de aandelen aan de nieuw opgerichte BV niets anders was dan een zogenaamde verhanging. Dat er geen civielrechtelijke geldlening maar een lijfrenteverplichting tegenover stond vond de rechtbank niet van belang voor de toepassing van de renteaftrekbeperking. De wetsbepaling is bedoeld ter voorkoming van uitholling van de heffingsgrondslag in de vennootschapsbelasting door de omzetting van eigen vermogen in vreemd vermogen zonder bedrijfseconomische reden. Dat was hier aan de orde. Aan de verkoop en het daarmee samenhangende schuldig blijven van de koopsom en de omzetting daarvan in een lijfrenteverplichting lagen geen overwegend zakelijke redenen ten grondslag. De antimisbruikbepaling uit de wet was naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de vrijheid van het kapitaalverkeer volgens het EG-verdrag.