Omvang winstuitdeling bij niet voldoen aan aflossingsverplichting
Rekening-courantverhoudingen tussen een DGA en zijn BV zijn zeer gebruikelijk. Omvangrijke en voortdurende debetstanden van de DGA bij zijn BV hebben de aandacht van de belastingdienst en worden vaak aangemerkt als uitdeling van winst. Gevolg is de heffing van dividendbelasting bij de BV en van inkomstenbelasting bij de DGA over het bedrag van de uitdeling.
Ter voorkoming van een uitdeling sloten een DGA, zijn BV en de belastingdienst een vaststellingsovereenkomst. Op grond van deze overeenkomst diende de DGA zijn debetstand van € 341.347 op 31 december 2001 in 10 jaar tijd af te lossen. De jaarlijkse aflossing diende minimaal € 20.000 te bedragen, terwijl over het uitstaande saldo rente moest worden betaald. Hogere debetstanden dan volgens deze overeenkomst zouden als een winstuitdeling worden aangemerkt.
In het jaar 2004 liep de schuld van de DGA op van € 283.951 tot € 290.268. De belastingdienst merkte het verschil tussen deze bedragen en de minimale jaarlijkse aflossing aan als een netto winstuitdeling. De BV bestreed de opgelegde naheffingsaanslag dividendbelasting. Volgens de BV was de winstuitdeling gelijk aan het verschil tussen de som van de jaarlijkse minimumaflossingen voor de jaren 2002 tot en met 2004 en de werkelijke afname van de schuld in die jaren.
De rechtbank volgde dit betoog niet. Het paste niet in de vaststellingsovereenkomst om de aflossing in een jaar voor zover deze meer bedroeg dan het minimum van € 20.000 toe te rekenen aan een ander jaar. De rechtbank hechtte vooral belang aan de afspraak dat de gehele schuld van € 341.347 in maximaal 10 jaar moest worden afgelost. Met een jaarlijkse aflossing van € 20.000 zou dat niet lukken.
Naar het oordeel van de rechtbank was de naheffingsaanslag terecht opgelegd. De rechtbank vernietigde wel de opgelegde boete wegens het ontbreken van opzet of grove schuld. De BV had niet zondermeer van de juistheid van haar standpunt mogen uitgaan zonder de mening van de belastingdienst te vragen. Er was wel sprake van enige schuld, maar niet van grove schuld.
Rekening-courantverhoudingen tussen een DGA en zijn BV zijn zeer gebruikelijk. Omvangrijke en voortdurende debetstanden van de DGA bij zijn BV hebben de aandacht van de belastingdienst en worden vaak aangemerkt als uitdeling van winst. Gevolg is de heffing van dividendbelasting bij de BV en van inkomstenbelasting bij de DGA over het bedrag van de uitdeling.
Ter voorkoming van een uitdeling sloten een DGA, zijn BV en de belastingdienst een vaststellingsovereenkomst. Op grond van deze overeenkomst diende de DGA zijn debetstand van € 341.347 op 31 december 2001 in 10 jaar tijd af te lossen. De jaarlijkse aflossing diende minimaal € 20.000 te bedragen, terwijl over het uitstaande saldo rente moest worden betaald. Hogere debetstanden dan volgens deze overeenkomst zouden als een winstuitdeling worden aangemerkt.
In het jaar 2004 liep de schuld van de DGA op van € 283.951 tot € 290.268. De belastingdienst merkte het verschil tussen deze bedragen en de minimale jaarlijkse aflossing aan als een netto winstuitdeling. De BV bestreed de opgelegde naheffingsaanslag dividendbelasting. Volgens de BV was de winstuitdeling gelijk aan het verschil tussen de som van de jaarlijkse minimumaflossingen voor de jaren 2002 tot en met 2004 en de werkelijke afname van de schuld in die jaren.
De rechtbank volgde dit betoog niet. Het paste niet in de vaststellingsovereenkomst om de aflossing in een jaar voor zover deze meer bedroeg dan het minimum van € 20.000 toe te rekenen aan een ander jaar. De rechtbank hechtte vooral belang aan de afspraak dat de gehele schuld van € 341.347 in maximaal 10 jaar moest worden afgelost. Met een jaarlijkse aflossing van € 20.000 zou dat niet lukken.
Naar het oordeel van de rechtbank was de naheffingsaanslag terecht opgelegd. De rechtbank vernietigde wel de opgelegde boete wegens het ontbreken van opzet of grove schuld. De BV had niet zondermeer van de juistheid van haar standpunt mogen uitgaan zonder de mening van de belastingdienst te vragen. Er was wel sprake van enige schuld, maar niet van grove schuld.