
Naar aanleiding van een boekenonderzoek bij een schroothandelaar corrigeerde de belastingdienst de winst met het bedrag van acht inkoopbonnen omdat daarop de gegevens van de leveranciers ontbraken. Naar de mening van de inspecteur bleek niet uit de administratie dat er daadwerkelijk inkopen hadden plaatsgevonden voor deze bedragen.
In de procedure die volgde beriep de inspecteur zich op omkering en verzwaring van de bewijslast omdat de administratie van de schroothandelaar niet aan de eisen voldeed. Voor het geval de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast niet van toepassing zou zijn, meende de inspecteur dat de schroothandelaar niet aannemelijk had gemaakt dat het om reële inkopen ging.
Naar het oordeel van Hof Arnhem had de schroothandelaar voldaan aan zijn administratieplicht.
Voor de vaststelling van de winst uit onderneming stelt de wet geen specifieke eisen aan de wijze waarop een belastingplichtige het bewijs dient te leveren van zijn inkopen. Dat een belastingplichtige niet (geheel) voldoet aan de voorschriften voor de omzetbelasting voor wat betreft het vermelden van naam- en adresgegevens van leveranciers en het vermelden van de hoeveelheid ingekochte goederen, houdt niet in dat hij niet aan zijn administratieverplichtingen voor de inkomstenbelasting heeft voldaan.
Het hof vond de tekortkomingen in de administratie niet van dien aard dat omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing was. Het hof vond de verklaring, dat er in de sloopbranche leveranciers zijn die zich niet bekend willen maken of die niet willen dat zij traceerbaar zijn, geloofwaardig.
Het hof accepteerde ook het standpunt van de schroothandelaar dat het voor een sloopbedrijf niet doenlijk is om een voorraadadministratie bij te houden.
Uiteindelijk concludeerde het hof dat de inspecteur de door hem aangebrachte correcties niet aannemelijk had gemaakt.