Omkering bewijslast voor kweker die contante verkopen niet administreerde
Op grond van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen zijn ondernemers verplicht om een administratie bij te houden. De eisen die aan een administratie worden gesteld zijn afhankelijk van de aard van het bedrijf of het zelfstandige beroep. Uit de administratie moet in ieder geval blijken wat de fiscale rechten en verplichtingen van de onderneming zijn. Het niet voldoen aan de administratieplicht kan in een procedure over een belastingaanslag leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat houdt in dat de rechter het beroep afwijst tenzij de ondernemer bewijst dat en in hoeverre de aanslag onjuist is.Een tomatenkwekerij verkocht jaarlijks een groot deel van haar productie op een veiling. Ongeveer 5 % van de tomaten werd aan particulieren verkocht. Deze verkoop vond plaats op de kwekerij tegen contante betaling, voor een deel in Duitse marken. De omvang van de contante verkopen werd per kwartaal bepaald op het kasverschil verminderd met de aantoonbare betalingen uit de kas. Later verklaarde de kweker dat de contante verkopen wel dagelijks werden bijgehouden. Deze aantekeningen werden bij een boekenonderzoek niet aangetroffen, maar later op verzoek van de belastingdienst verstrekt. De belastingdienst vermoedde dat de aantekeningen achteraf waren opgemaakt maar kon dat na onderzoek door het Gerechtelijk Laboratorium niet bewijzen. De belastingdienst legde naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonbelasting op. In de procedure voor Hof Den Bosch beriep de belastingdienst zich op omkering van de bewijslast vanwege het niet voldoen aan de administratieplicht. Het Hof was van oordeel dat omkering van de bewijslast gezien de gebreken aan de kasadministratie gerechtvaardigd was. Het Hof vond, gelet op verklaringen van de kweker en zijn externe administrateur, aannemelijk dat de kasverantwoording achteraf was opgemaakt. Ook het feit dat de aantekeningen bij het boekenonderzoek niet waren aangetroffen droeg daaraan bij. Dit oordeel werd bevestigd door de chikwadraattoets die was toegepast op de kasontvangsten.Naar het oordeel van het Hof was de kasomzet zowel absoluut als relatief zo groot dat een zorgvuldige administratie daarvan verplicht was. De kweker slaagde er vervolgens niet in om te bewijzen dat de opgelegde naheffingsaanslagen niet juist waren. De inspecteur had een redelijke schatting gemaakt op basis van zorgvuldig gekozen uitgangspunten. Wel verminderde het Hof de opgelegde vergrijpboete met 10 % wegens overschrijding van de redelijke termijn. De naheffingsaanslag was opgelegd op 28 augustus 2001, het beroepschrift was op 29 maart 2002 ingediend en de zitting van het Hof vond plaats op 3 juni 2005.
Op grond van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen zijn ondernemers verplicht om een administratie bij te houden. De eisen die aan een administratie worden gesteld zijn afhankelijk van de aard van het bedrijf of het zelfstandige beroep. Uit de administratie moet in ieder geval blijken wat de fiscale rechten en verplichtingen van de onderneming zijn. Het niet voldoen aan de administratieplicht kan in een procedure over een belastingaanslag leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat houdt in dat de rechter het beroep afwijst tenzij de ondernemer bewijst dat en in hoeverre de aanslag onjuist is.Een tomatenkwekerij verkocht jaarlijks een groot deel van haar productie op een veiling. Ongeveer 5 % van de tomaten werd aan particulieren verkocht. Deze verkoop vond plaats op de kwekerij tegen contante betaling, voor een deel in Duitse marken. De omvang van de contante verkopen werd per kwartaal bepaald op het kasverschil verminderd met de aantoonbare betalingen uit de kas. Later verklaarde de kweker dat de contante verkopen wel dagelijks werden bijgehouden. Deze aantekeningen werden bij een boekenonderzoek niet aangetroffen, maar later op verzoek van de belastingdienst verstrekt. De belastingdienst vermoedde dat de aantekeningen achteraf waren opgemaakt maar kon dat na onderzoek door het Gerechtelijk Laboratorium niet bewijzen. De belastingdienst legde naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonbelasting op. In de procedure voor Hof Den Bosch beriep de belastingdienst zich op omkering van de bewijslast vanwege het niet voldoen aan de administratieplicht. Het Hof was van oordeel dat omkering van de bewijslast gezien de gebreken aan de kasadministratie gerechtvaardigd was. Het Hof vond, gelet op verklaringen van de kweker en zijn externe administrateur, aannemelijk dat de kasverantwoording achteraf was opgemaakt. Ook het feit dat de aantekeningen bij het boekenonderzoek niet waren aangetroffen droeg daaraan bij. Dit oordeel werd bevestigd door de chikwadraattoets die was toegepast op de kasontvangsten.Naar het oordeel van het Hof was de kasomzet zowel absoluut als relatief zo groot dat een zorgvuldige administratie daarvan verplicht was. De kweker slaagde er vervolgens niet in om te bewijzen dat de opgelegde naheffingsaanslagen niet juist waren. De inspecteur had een redelijke schatting gemaakt op basis van zorgvuldig gekozen uitgangspunten. Wel verminderde het Hof de opgelegde vergrijpboete met 10 % wegens overschrijding van de redelijke termijn. De naheffingsaanslag was opgelegd op 28 augustus 2001, het beroepschrift was op 29 maart 2002 ingediend en de zitting van het Hof vond plaats op 3 juni 2005.