Omkering bewijslast terecht, maar redelijkheid schatting niet aangetoond
Wanneer iemand niet voldoet aan zijn verplichting om aangifte te doen kan de belastingdienst ambtshalve een aanslag vaststellen. Door het niet voldoen aan de aangifteplicht wordt de bewijslast omgekeerd en moet de belanghebbende overtuigend bewijzen dat de hem opgelegde aanslag niet juist is. Zonder dat bewijs moet het Hof in een procedure de aanslag in stand laten, tenzij de schatting die de inspecteur heeft gemaakt van het belastbare bedrag niet redelijk is. De redelijkheid van de schattingen stond niet vast ingeval van twee aanslagen inkomstenbelasting die gebaseerd waren op een belastbaar inkomen van ƒ 10.000.000 en ingeval van twee aanslagen vermogensbelasting opgelegd naar een vermogen van respectievelijk ƒ 10.000.000 en ƒ 20.000.000.De inspecteur had zijn correcties op de aangiften gemotiveerd met een verwijzing naar de verdenking tegen de belanghebbende dat hij leiding had gegeven aan een criminele organisatie die zich onder andere bezig hield met de invoer van en handel in verdovende middelen. Het Hof liet echter in het midden of de belanghebbende in de betrokken jaren inderdaad bemoeienis had met welke illegale activiteiten dan ook. Het Hof stelde slechts vast dat de belanghebbende deel uitmaakte van een organisatie die gericht was op het behalen van winst met zakelijke activiteiten. Omdat het Hof de gronden van de inspecteur voor de schatting niet had overgenomen had het Hof zijn oordeel dat die schatting niet onredelijk was moeten onderbouwen. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar Hof Den Haag. Het verwijzingshof moet onderzoeken of de inspecteur zijn schatting van het inkomen en het vermogen zodanig heeft onderbouwd met feitelijke stellingen, dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.
Wanneer iemand niet voldoet aan zijn verplichting om aangifte te doen kan de belastingdienst ambtshalve een aanslag vaststellen. Door het niet voldoen aan de aangifteplicht wordt de bewijslast omgekeerd en moet de belanghebbende overtuigend bewijzen dat de hem opgelegde aanslag niet juist is. Zonder dat bewijs moet het Hof in een procedure de aanslag in stand laten, tenzij de schatting die de inspecteur heeft gemaakt van het belastbare bedrag niet redelijk is. De redelijkheid van de schattingen stond niet vast ingeval van twee aanslagen inkomstenbelasting die gebaseerd waren op een belastbaar inkomen van ƒ 10.000.000 en ingeval van twee aanslagen vermogensbelasting opgelegd naar een vermogen van respectievelijk ƒ 10.000.000 en ƒ 20.000.000.De inspecteur had zijn correcties op de aangiften gemotiveerd met een verwijzing naar de verdenking tegen de belanghebbende dat hij leiding had gegeven aan een criminele organisatie die zich onder andere bezig hield met de invoer van en handel in verdovende middelen. Het Hof liet echter in het midden of de belanghebbende in de betrokken jaren inderdaad bemoeienis had met welke illegale activiteiten dan ook. Het Hof stelde slechts vast dat de belanghebbende deel uitmaakte van een organisatie die gericht was op het behalen van winst met zakelijke activiteiten. Omdat het Hof de gronden van de inspecteur voor de schatting niet had overgenomen had het Hof zijn oordeel dat die schatting niet onredelijk was moeten onderbouwen. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar Hof Den Haag. Het verwijzingshof moet onderzoeken of de inspecteur zijn schatting van het inkomen en het vermogen zodanig heeft onderbouwd met feitelijke stellingen, dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.