
In een procedure over navorderingsaanslagen met boeten die werden opgelegd aan iemand die houder was van een aantal bankrekeningen in Luxemburg beriep de inspecteur zich op de zogenoemde omkering van de bewijslast. Hof Amsterdam meende dat omkering van de bewijslast kon worden gebaseerd op het niet ter inzage verstrekken aan de inspecteur van door hem gevraagde gegevensdragers. Het betrof onder meer een document waaruit het jaar zou blijken waarin de rekeninghouder de bij de belastingdienst bekende rekeningen had geopend en de rekeningafschriften tot het moment van opheffing van de rekening.
De rekeninghouder had een brief naar de bank gestuurd met het verzoek om de door de belastingdienst gevraagde informatie, maar had daarop geen reactie gehad van de bank. Het hof vond het verweer van de rekeninghouder dat hij niet kon beschikken over de gegevens ontoereikend. Volgens de Hoge Raad mocht het hof, uitgaande van het vastgestelde rekeninghouderschap, voor de heffing van belasting de bewijslast omkeren. De Hoge Raad had ook geen bezwaar tegen de modelmatige wijze van berekening van de inkomsten in de jaren 1992 tot en met 2000 van de rekeninghouder.
De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof op het gebied van de opgelegde boeten. Het hof had bij de beoordeling van de boeten rekening moeten houden met de omstandigheid dat de belastinggrondslag aan de hand van een rekenmodel en met toepassing van omkering van de bewijslast was bepaald.