Nieuwe regeling BPM bij invoer niet juist

Bij de eerste registratie van een auto of een motor in Nederland moet BPM worden betaald. Dat geldt niet alleen voor nieuwe auto’s maar ook bij de invoer van gebruikte auto’s en motoren. Bij de invoer van gebruikte voertuigen wordt het voertuig in kwestie vergeleken met eenzelfde, al in Nederland geregistreerd voertuig. Van dat referentievoertuig wordt bepaald hoeveel BPM nog in de waarde daarvan is begrepen. In twee arresten uit 2009 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij die berekening moet worden uitgegaan van de prijs die een handelaar betaalt bij aankoop van een dergelijk voertuig. De op het referentievoertuig drukkende belasting is een aan de door de inkoopprijs evenredig gedeelte van de oorspronkelijke BPM. De marge die de handelaar maakt op het gebruikte voertuig moet buiten beschouwing blijven. Naar aanleiding van deze arresten is de wet aangepast. De wetgever heeft bepaald dat de inkoopwaarde van het referentievoertuig moet worden afgezet tegen de inkoopwaarde van het voertuig toen het voor het eerst in gebruik werd genomen. In de uitvoeringsregeling is voor de berekening van de inkoopwaarde nieuw een forfaitaire regeling opgenomen.

De rechtbank Arnhem is van oordeel dat uit de arresten van de Hoge Raad niet volgt dat voor het bepalen van de rest-BPM op het referentievoertuig de afschrijvingsbasis moet worden gesteld op de inkoopwaarde. Volgens de rechtbank gaat het Hof van Justitie EU uit van een vergelijking tussen de marktwaarde van gebruikte voertuigen en de prijs van dergelijke voertuigen in nieuwstaat.

 

Het doel van de wettelijke regeling is voorkomen dat op een ingevoerde auto meer belasting komt te rusten dan de BPM die nog rust op een vergelijkbare auto die al in Nederland is geregistreerd. De BPM wordt geheven van de kentekenhouder. Voor de kentekenhouder is slechts de oorspronkelijke aankoopprijs in nieuwstaat relevant. De in de wettelijke regeling als uitgangspunt genomen inkoopprijs in nieuwstaat voor een handelaar is voor de kentekenhouder net zo min relevant als de inkoopprijs van de dealer die hem de nieuwe auto heeft geleverd. De kentekenhouder heeft bij aankoop van de auto de volledige oorspronkelijke BPM betaald als onderdeel van de door hem betaalde consumentenprijs. Bij verkoop van de auto in gebruikte staat aan een handelaar realiseert de kentekenhouder een opbrengst die in dezelfde verhouding als bij de aanschaf moet worden toegerekend aan de restwaarde van de auto, de rest-OB en de rest-BPM. De wettelijke regeling voldoet volgens de rechtbank niet aan de doelstelling en is daarom in strijd met het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.

<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Bij de eerste registratie van een auto of een motor in Nederland moet BPM worden betaald. Dat geldt niet alleen voor nieuwe auto’s maar ook bij de invoer van gebruikte auto’s en motoren. Bij de invoer van gebruikte voertuigen wordt het voertuig in kwestie vergeleken met eenzelfde, al in Nederland geregistreerd voertuig. Van dat referentievoertuig wordt bepaald hoeveel BPM nog in de waarde daarvan is begrepen. In twee arresten uit 2009 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij die berekening moet worden uitgegaan van de prijs die een handelaar betaalt bij aankoop van een dergelijk voertuig. De op het referentievoertuig drukkende belasting is een aan de door de inkoopprijs evenredig gedeelte van de oorspronkelijke BPM. De marge die de handelaar maakt op het gebruikte voertuig moet buiten beschouwing blijven. Naar aanleiding van deze arresten is de wet aangepast. De wetgever heeft bepaald dat de inkoopwaarde van het referentievoertuig moet worden afgezet tegen de inkoopwaarde van het voertuig toen het voor het eerst in gebruik werd genomen. In de uitvoeringsregeling is voor de berekening van de inkoopwaarde nieuw een forfaitaire regeling opgenomen. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">De rechtbank Arnhem is van oordeel dat uit de arresten van de Hoge Raad niet volgt dat voor het bepalen van de rest-BPM op het referentievoertuig de afschrijvingsbasis moet worden gesteld op de inkoopwaarde. Volgens de rechtbank gaat het Hof van Justitie EU uit van een vergelijking tussen de marktwaarde van gebruikte voertuigen en de prijs van dergelijke voertuigen in nieuwstaat. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt"><?xml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" /><o:p>&nbsp;</o:p></P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Het doel van de wettelijke regeling is voorkomen dat op een ingevoerde auto meer belasting komt te rusten dan de BPM die nog rust op een vergelijkbare auto die al in Nederland is geregistreerd. De BPM wordt geheven van de kentekenhouder. Voor de kentekenhouder is slechts de oorspronkelijke aankoopprijs in nieuwstaat relevant. De in de wettelijke regeling als uitgangspunt genomen inkoopprijs in nieuwstaat voor een handelaar is voor de kentekenhouder net zo min relevant als de inkoopprijs van de dealer die hem de nieuwe auto heeft geleverd. De kentekenhouder heeft bij aankoop van de auto de volledige oorspronkelijke BPM betaald als onderdeel van de door hem betaalde consumentenprijs. Bij verkoop van de auto in gebruikte staat aan een handelaar realiseert de kentekenhouder een opbrengst die in dezelfde verhouding als bij de aanschaf moet worden toegerekend aan de restwaarde van de auto, de rest-OB en de rest-BPM. De wettelijke regeling voldoet volgens de rechtbank niet aan de doelstelling en is daarom in strijd met het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.</P>
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u