
Een aanvankelijk als film-CV aan de belastingdienst gepresenteerde CV bleek later zelf geen films te hebben geproduceerd of voor eigen rekening en risico te hebben geëxploiteerd. De belastingdienst trok uit de verkregen informatie de conclusie dat er niet meer dan een kasrondje was uitgevoerd met een aantal Amerikaanse maatschappijen en dat de diverse CV’s geen onderneming dreven. Op grond van deze informatie legde de belastingdienst een navorderingsaanslag op aan een participant in een van de CV’s om de eerder verleende fiscale faciliteiten terug te nemen.
In geschil was of de inspecteur wel beschikte over het voor navordering vereiste nieuwe feit. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft Hof Den Haag terecht geoordeeld dat dit het geval was. Voordat de inspecteur kennis had genomen van de zogenaamde license agreements, waaruit de werkelijke gang van zaken duidelijk werd, kon de inspecteur niet vermoeden dat de CV’s geen onderneming zouden drijven. Volgens de destijds wel beschikbare informatie zouden de CV’s gedurende vier maanden de exploitatie van de films verzorgen, waarna deze aan derden verkocht zouden worden. In werkelijkheid werden de rechten op een film op dezelfde dag als zij door de CV waren verkregen terug verkocht tegen een lagere prijs.