
De staatssecretaris van Financiën heeft een aantal besluiten over reiskostenvergoedingen en het privégebruik auto samengevoegd en geactualiseerd. De aanpassingen betreffen de vaste reiskostenvergoeding, de bewaarplicht bij vergoedingen voor openbaar vervoer en de OV-chipkaart.
1. Vaste reiskostenvergoedingen
Vanaf 1 januari 2004 is het mogelijk om een vaste vrije vergoeding te verstrekken voor regelmatig reizen, bijvoorbeeld voor het woon-werkverkeer. Per 1 januari 2007 is in de Uitvoeringsregeling Loonbelasting een specifieke regeling opgenomen voor vaste vergoedingen voor het hoofdzakelijk reizen naar een vaste plaats. Een eerder besluit van de staatssecretaris bevatte een praktische regeling, die gunstiger kan uitvallen in bepaalde gevallen. Beide regelingen kunnen worden toegepast.
De specifieke regeling kent als voorwaarde dat aan het einde van het jaar nacalculatie plaatsvindt op basis van de werkelijk afgelegde kilometers.
Bij de praktische regeling hoeft geen nacalculatie plaats te vinden, tenzij de totale reisafstand per dag meer bedraagt dan 150 km. Dit betekent dat niet achteraf een gedeelte van de vergoeding tot het loon hoeft te worden gerekend, maar ook dat aanvullende vergoeding niet mogelijk is voor extra reizen naar de vaste bestemming(en).
De praktische regeling kan worden toegepast voor werknemers die op jaarbasis vermoedelijk 36 weken naar dezelfde arbeidsplaats zullen reizen. De vaste vrije vergoeding bedraagt dan het aantal regulier gewerkte dagen per jaar (maximaal 214) maal de totale reisafstand (maximaal 150 km per dag) maal EURO 0,19. Voor deeltijdwerkers kan de praktische regeling naar evenredigheid worden toegepast.
Tijdens kortstondige afwezigheid (naar verwachting niet meer dan zes aaneensluitende weken) mag de vaste vergoeding worden doorbetaald. Bij een verwachte langdurige afwezigheid mag de vaste reiskostenvergoeding de lopende en de volgende kalendermaand onbelast worden uitbetaald. Daarna is een vrije vergoeding pas weer toegestaan vanaf de eerste van de maand volgende op de maand van herstel.
2. Bewaarplicht vervoerbewijzen
Een werkgever moet voor een belastingvrije vergoeding van de volledige kosten van reizen met openbaar vervoer de originele vervoerbewijzen bewaren. Voor het aanvragen van een vertragingsvergoeding moet het originele vervoerbewijs bij de vervoerder worden ingeleverd. In die gevallen mag de werkgever volstaan met een kopie van het vervoerbewijs en het bericht van de vervoerder met de beslissing over de vertragingsvergoeding. De vertragingsvergoeding heeft geen invloed op de hoogte van de vrije reiskostenvergoeding van de werkgever.
3. OV-chipkaart
Bij gebruik van de OV-chipkaart is het niet mogelijk om de originele vervoerbewijzen in te leveren bij de werkgever. In plaats daarvan mogen werknemers die een OV-chipkaart gebruiken overzichten van de vervoerder waarin de transacties (reisbewegingen) met de OV-chipkaart worden vermeld overhandigen aan hun werkgever. Bij de definitieve invoering van de OV-chipkaart zal de fiscale regelgeving worden aangepast.