Nieuw besluit over deelnemingsvrijstelling bij earn-out voor 1 januari 2002
Sinds 1 januari 2002 is de deelnemingsvrijstelling in de wet op de vennootschapsbelasting 1969 aangepast voor earn-outregelingen. Een earn-outregeling houdt in, dat de verkoopprijs van een deelneming bestaat uit een vast bedrag in het jaar van verkoop en een aantal in volgende jaren te ontvangen winstafhankelijke bedragen. Volgens de nieuwe regeling behoren bij de vervreemder de waardeveranderingen van dat recht en bij de verkrijger de waardeveranderingen van de daarmee corresponderende verplichting tot de voordelen uit deelneming. Voor vervreemdingen van deelnemingen voor 1 januari 2002 biedt de regeling geen uitkomst. De staatssecretaris van Financiën keurt nu goed, dat de nieuwe wettelijke regeling wordt toegepast op oude gevallen, mits de aanslagen van beide partijen met betrekking tot de vervreemding van de deelneming nog niet onherroepelijk vaststaan. Koper en verkoper dienen gezamenlijk een verzoek aan de betrokken inspecteur(s) te doen en de afspraken in een vaststellingsovereenkomst vast te leggen. De afspraak in de vaststellingsovereenkomst betreft het evenwicht in de fiscale positie van koper en verkoper. Vanwege in aanmerking te nemen aan- en verkoopkosten, is het denkbaar dat de verkoopprijs afwijkt van de kostprijs bij de koper. Bij koper en verkoper moet de deelnemingsvrijstelling van toepassing zijn met betrekking tot de overgedragen deelneming. De vaststellingsovereenkomst geldt maximaal voor de periode waarover de toekomstige uitkeringen zich uitstrekken. De vaststellingsovereenkomst kan bij wijziging van wet, jurisprudentie en beleid op het terrein van de deelnemingsvrijstelling worden beëindigd met inachtneming van een redelijke overgangstermijn. De vaststellingsovereenkomst kan door partijen in beginsel niet in rechte worden aangetast.Het besluit van 8 maart 2002 is nu op een aantal punten gewijzigd:- Een verzoek om toepassing van het besluit moet uiterlijk op 31 december 2002 zijn ingediend;.- De tekst is beter afgestemd op de situatie waarin dat sprake is van meer dan één koper en/of verkoper;- Aangegeven is hoe wordt omgegaan met gevallen waarin bij belastingplichtige met betrekking tot verkochte en verworven deelnemingen de deelnemingsvrijstelling van toepassing is en bij de wederpartij(en) niet;- Er is een regeling getroffen voor de situatie waarin de deelneming na de aankoop wordt opgenomen in een fiscale eenheid met de koper;- Tot slot is een betere tekstuele aansluiting gevonden met de per 1 januari 2002 in werking getreden aanpassing van artikel 13, eerste lid, tweede volzin (punten 2 en 5, onderdeel a) en artikel 13d, tweede lid, tweede volzin, onderdeel c van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969.
Sinds 1 januari 2002 is de deelnemingsvrijstelling in de wet op de vennootschapsbelasting 1969 aangepast voor earn-outregelingen. Een earn-outregeling houdt in, dat de verkoopprijs van een deelneming bestaat uit een vast bedrag in het jaar van verkoop en een aantal in volgende jaren te ontvangen winstafhankelijke bedragen. Volgens de nieuwe regeling behoren bij de vervreemder de waardeveranderingen van dat recht en bij de verkrijger de waardeveranderingen van de daarmee corresponderende verplichting tot de voordelen uit deelneming. Voor vervreemdingen van deelnemingen voor 1 januari 2002 biedt de regeling geen uitkomst. De staatssecretaris van Financiën keurt nu goed, dat de nieuwe wettelijke regeling wordt toegepast op oude gevallen, mits de aanslagen van beide partijen met betrekking tot de vervreemding van de deelneming nog niet onherroepelijk vaststaan. Koper en verkoper dienen gezamenlijk een verzoek aan de betrokken inspecteur(s) te doen en de afspraken in een vaststellingsovereenkomst vast te leggen. De afspraak in de vaststellingsovereenkomst betreft het evenwicht in de fiscale positie van koper en verkoper. Vanwege in aanmerking te nemen aan- en verkoopkosten, is het denkbaar dat de verkoopprijs afwijkt van de kostprijs bij de koper. Bij koper en verkoper moet de deelnemingsvrijstelling van toepassing zijn met betrekking tot de overgedragen deelneming. De vaststellingsovereenkomst geldt maximaal voor de periode waarover de toekomstige uitkeringen zich uitstrekken. De vaststellingsovereenkomst kan bij wijziging van wet, jurisprudentie en beleid op het terrein van de deelnemingsvrijstelling worden beëindigd met inachtneming van een redelijke overgangstermijn. De vaststellingsovereenkomst kan door partijen in beginsel niet in rechte worden aangetast.Het besluit van 8 maart 2002 is nu op een aantal punten gewijzigd:- Een verzoek om toepassing van het besluit moet uiterlijk op 31 december 2002 zijn ingediend;.- De tekst is beter afgestemd op de situatie waarin dat sprake is van meer dan één koper en/of verkoper;- Aangegeven is hoe wordt omgegaan met gevallen waarin bij belastingplichtige met betrekking tot verkochte en verworven deelnemingen de deelnemingsvrijstelling van toepassing is en bij de wederpartij(en) niet;- Er is een regeling getroffen voor de situatie waarin de deelneming na de aankoop wordt opgenomen in een fiscale eenheid met de koper;- Tot slot is een betere tekstuele aansluiting gevonden met de per 1 januari 2002 in werking getreden aanpassing van artikel 13, eerste lid, tweede volzin (punten 2 en 5, onderdeel a) en artikel 13d, tweede lid, tweede volzin, onderdeel c van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969.