
De Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 kent twee bijzondere regelingen voor beleggingsinstellingen. De regelingen hebben verschillende voorwaarden en gevolgen. De ene regeling betreft een volledige vrijstelling van vennootschapsbelasting en stelt vooral eisen op het gebied van de beleggingen. De andere regeling kent een tarief van 0% en stelt vooral eisen aan de aandeelhouders en de dividendpolitiek. In een besluit heeft de staatssecretaris het aangepaste beleid ten aanzien van de laatste groep van beleggingsinstellingen bekend gemaakt. De wijzigingen betreffen het weer opnemen van twee eerder vervallen goedkeuringen, namelijk de goedkeuring voor stapelstructuren en de goedkeuring voor de herbeleggingsreserve die haar plafond heeft bereikt. Beleggingsinstellingen zonder beursnotering of Wft-vergunning kunnen formeel geen moeder zijn van een andere beleggingsinstelling. Dat zou leiden tot statusverlies van de dochter. De staatssecretaris keurt goed dat de status van beleggingsinstelling behouden blijft ook al berust meer dan een kwart van de aandelen bij een andere beleggingsinstelling zonder beursnotering of Wft-vergunning. De staatssecretaris stelt als voorwaarde dat de dochter al in het lopende boekjaar ten minste 95% van de ter beschikking te stellen winst uitdeelt. Zodra niet meer aan deze voorwaarde wordt voldaan verliest de beleggingsinstelling haar status met ingang van het betreffende boekjaar waarop de ter beschikking te stellen winst betrekking heeft.
Een beleggingsinstelling kan een herbeleggingsreserve vormen voor het saldo van koers- en vervreemdingsresultaten op beleggingen. De jaarlijkse toevoeging aan de herbeleggingsreserve is beperkt, omdat de reserve een plafond kent. De staatssecretaris keurt goed dat een positief saldo van de koers- en vervreemdingsresultaten in een jaar dat niet aan de herbeleggingsreserve kan worden toegevoegd in één of meer van de volgende jaren wordt toegevoegd. De herbeleggingsreserve moet daarvoor wel de ruimte bieden.