
De minister van Financiën heeft het besluit waarin het beleid is opgenomen over de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting geactualiseerd. Op 1 januari 2010 is de wet Overige Fiscale Maatregelen
1. De minister heeft goedgekeurd dat bestaande zogenaamde advance tax rulings (ATR) waarin zekerheid is gegeven over de toepassing van de tot 1 januari 2010 geldende deelnemingsvrijstelling na 1 januari 2010 van toepassing blijven gedurende de resterende looptijd. Formeel zijn bestaande ATR’s per 1 januari 2010 beëindigd omdat het nieuwe deelnemingsvrijstellingregime een relevante wetswijziging inhoudt.
2. De deelnemingsvrijstelling is niet van toepassing op een beleggingsdeelneming, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming.
Een kwalificerende beleggingsdeelneming is onderworpen aan reële winstbelasting, terwijl de bezittingen voor minder dan de helft bestaan uit laagbelaste vrije beleggingen. Verschillen in fiscale consolidatie en mogelijkheden voor winst- of verliesoverdracht die afwijken van de Nederlandse fiscale eenheid hebben niet tot gevolg dat de beleggingsdeelneming niet is onderworpen aan een reële winstbelasting, tenzij door een stelselafwijking geen of onvoldoende belasting wordt geheven. Dat kan zich voordoen bij de group relief regeling van het Verenigd Koninkrijk. Het Zweedse group contribution regime leidt niet tot onvoldoende onderworpenheid.
3. De minister heeft goedgekeurd dat het niet in de heffing betrekken van een rentebate bij niet actieve vennootschappen (zogenaamde dormant companies) op zich niet leidt tot onvoldoende onderworpenheid als het gaat om een transactie tussen in hetzelfde land gevestigde vennootschappen onder goedkeuring van de belastingdienst aldaar. De goedkeuring geldt slechts indien de vennootschappen zonder deze bijzondere regeling zijn onderworpen aan een naar Nederlandse begrippen reële belastingheffing.