Nieuw aanmerkelijk belangregime niet van toepassing op transacties in 1996

De aanmerkelijk belangregeling in de inkomstenbelasting is met ingang van 1 januari 1997 ingrijpend veranderd. Zo werd de omvang van het aandelenbezit dat vereist is voor een aanmerkelijk belang verlaagd van 1/3 tot 5% en werd het tarief voor aanmerkelijk belangwinst verhoogd van 20 naar 25%. Dividenden uit aanmerkelijk belangaandelen vielen sinds de wetswijziging niet meer onder het progressieve tarief maar eveneens onder het AB-tarief. Tegelijkertijd werden anti-misbruikbepalingen opgenomen, ondermeer ter bestrijding van zogenaamde turbovennootschappen. Die anti-misbruikbepalingen waren in een aantal gevallen met terugwerkende kracht tot 4 juni 1996 van toepassing. In de volgende casus was in geschil of de oude of de nieuwe AB-regeling van toepassing was. De casus had betrekking op een vennootschap met drie aandeelhouders. Een van hen was een natuurlijke persoon, de twee andere aandeelhouders waren BV’s. De aandeelhouder/natuurlijke persoon had een aanmerkelijk belang in de vennootschap. Hij hield 62,5% van de aandelen in de vennootschap direct, terwijl hij enig aandeelhouder was van de beide andere aandeelhouders. De vennootschap gaf in 1995 ten laste van haar agioreserve nieuwe aandelen uit aan haar aandeelhouders. De natuurlijke persoon had daarna in totaal ƒ 625.000 nominaal aandelenkapitaal, waarvan ƒ 525.000 ten laste van de agioreserve. In de loop van 1996 keerde de vennootschap tweemaal dividend uit, naar keuze in contanten of in aandelen ten laste van de agioreserve. De beide BV’s kozen voor dividend in contanten; de natuurlijke persoon gaf de voorkeur aan (preferente) aandelen. De eerste maal ging het om ƒ 2.500.000 nominaal; de tweede maal om ƒ 1.000.000. De eerst uitgegeven aandelen werden door de vennootschap direct ingekocht. De statuten van de vennootschap werden niet aangepast; het aandelenkapitaal werd niet teruggebracht en de nominale waarde van de aandelen werd ook niet verminderd. De aandelen van de tweede uitgifte werden voor de nominale waarde verkocht aan de medeaandeelhouders. De inspecteur telde de opbrengst van de aandelen, in totaal ƒ 3.500.000, bij het inkomen van de aandeelhouder. Hij belastte deze opbrengst met een beroep op de terugwerkende kracht van de anti-misbruikbepalingen tegen het nieuwe aanmerkelijk belangtarief van 25%. Volgens Hof Arnhem was de herkomst van de gewone aandelen, die de aandeelhouder bezat voor de uitgifte van de preferente aandelen, bepalend voor de behandeling van de uitgegeven aandelen. Omdat de aandeelhouder niets had betaald voor de in 1995 verkregen bonusaandelen was het Hof van oordeel dat op 525/625 deel van de dividenduitkering het nieuwe aanmerkelijk belangregime van toepassing was, inclusief het nieuwe tarief van 25%. Het restant van het dividend rekende het Hof toe aan de oorspronkelijke aandelen. Omdat de preferente aandelen werden ingetrokken zonder statutenwijziging en de vennootschap voldoende winstreserves bezat was deze dividenduitkering progressief belast, aldus het Hof. De tweede uitgifte werd op dezelfde wijze toegerekend aan de oorspronkelijke gewone aandelen en de later verkregen bonusaandelen. Op een gedeelte van ƒ 840.000 was volgens het Hof het nieuwe AB-regime van toepassing. Het restant ad ƒ 160.000 viel onder het oude AB-regime. De Hoge Raad was van oordeel dat het Hof ten onrechte de nieuwe regeling had toegepast. Volgens de parlementaire toelichting op het wetsvoorstel was het de bedoeling van de wetgever om de terugwerkende kracht alleen van toepassing te laten zijn op agiobonussen die zijn uitgereikt op aandelen die onder het turboregime vielen. De gewone aandelen vielen niet onder dat regime. Ook had het Hof ten onrechte het progressieve tarief toegepast op een gedeelte van de inkoop van preferente aandelen. Het Hof had een wetsbepaling toegepast die gold bij een gedeeltelijke teruggaaf van het op de aandelen gestorte bedrag, waarbij de aandeelhouder de aandelen behield. In dit geval was echter sprake van intrekking van aandelen met terugbetaling van het op die aandelen gestorte kapitaal. Net als bij een inkoop van aandelen door de vennootschap zelf moest alleen het gedeelte van de terugbetaling boven het op de aandelen gestorte bedrag als inkomen uit aandelen worden beschouwd. Terugbetaling van de nominale waarde leidde niet tot belastingheffing. De verkoop van het tweede pakket preferente aandelen was een vervreemding van een aanmerkelijk belang. De aanmerkelijk belangwinst was gelijk aan de opbrengst bij verkoop omdat de verkrijgingsprijs nihil was. Dat betekende dat een bedrag van ƒ 1 miljoen belast was tegen 20%. De staatssecretaris van Financiën had in zijn verweerschrift zogenaamd incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Naar zijn mening was het Hof ten onrechte niet ingegaan op de stelling van de inspecteur dat de eerste uitreiking samen met het gelijktijdig genomen besluit tot intrekking van de uitgereikte aandelen een schijnhandeling was. De Hoge Raad wees het incidentele beroep af. Uit de uitspraak van het Hof bleek dat er geen schijnhandeling was geweest, aangezien zowel de uitgifte als de intrekking van de aandelen daadwerkelijk hadden plaatsgevonden. Deze rechtshandelingen konden niet als een uitkering van een dividend in contanten worden aangemerkt. Door de eerste uitreiking van aandelen ten laste van de agioreserve en de intrekking van die aandelen was het gestorte kapitaal van de vennootschap verlaagd met het bedrag van de terugbetaling. Er was geen sprake van een claimverlies en dus evenmin van een handelen in strijd met doel en strekking van de wet.
De aanmerkelijk belangregeling in de inkomstenbelasting is met ingang van 1 januari 1997 ingrijpend veranderd. Zo werd de omvang van het aandelenbezit dat vereist is voor een aanmerkelijk belang verlaagd van 1/3 tot 5% en werd het tarief voor aanmerkelijk belangwinst verhoogd van 20 naar 25%. Dividenden uit aanmerkelijk belangaandelen vielen sinds de wetswijziging niet meer onder het progressieve tarief maar eveneens onder het AB-tarief. Tegelijkertijd werden anti-misbruikbepalingen opgenomen, ondermeer ter bestrijding van zogenaamde turbovennootschappen. Die anti-misbruikbepalingen waren in een aantal gevallen met terugwerkende kracht tot 4 juni 1996 van toepassing. In de volgende casus was in geschil of de oude of de nieuwe AB-regeling van toepassing was. De casus had betrekking op een vennootschap met drie aandeelhouders. Een van hen was een natuurlijke persoon, de twee andere aandeelhouders waren BV’s. De aandeelhouder/natuurlijke persoon had een aanmerkelijk belang in de vennootschap. Hij hield 62,5% van de aandelen in de vennootschap direct, terwijl hij enig aandeelhouder was van de beide andere aandeelhouders. De vennootschap gaf in 1995 ten laste van haar agioreserve nieuwe aandelen uit aan haar aandeelhouders. De natuurlijke persoon had daarna in totaal ƒ 625.000 nominaal aandelenkapitaal, waarvan ƒ 525.000 ten laste van de agioreserve. In de loop van 1996 keerde de vennootschap tweemaal dividend uit, naar keuze in contanten of in aandelen ten laste van de agioreserve. De beide BV’s kozen voor dividend in contanten; de natuurlijke persoon gaf de voorkeur aan (preferente) aandelen. De eerste maal ging het om ƒ 2.500.000 nominaal; de tweede maal om ƒ 1.000.000. De eerst uitgegeven aandelen werden door de vennootschap direct ingekocht. De statuten van de vennootschap werden niet aangepast; het aandelenkapitaal werd niet teruggebracht en de nominale waarde van de aandelen werd ook niet verminderd. De aandelen van de tweede uitgifte werden voor de nominale waarde verkocht aan de medeaandeelhouders. De inspecteur telde de opbrengst van de aandelen, in totaal ƒ 3.500.000, bij het inkomen van de aandeelhouder. Hij belastte deze opbrengst met een beroep op de terugwerkende kracht van de anti-misbruikbepalingen tegen het nieuwe aanmerkelijk belangtarief van 25%. Volgens Hof Arnhem was de herkomst van de gewone aandelen, die de aandeelhouder bezat voor de uitgifte van de preferente aandelen, bepalend voor de behandeling van de uitgegeven aandelen. Omdat de aandeelhouder niets had betaald voor de in 1995 verkregen bonusaandelen was het Hof van oordeel dat op 525/625 deel van de dividenduitkering het nieuwe aanmerkelijk belangregime van toepassing was, inclusief het nieuwe tarief van 25%. Het restant van het dividend rekende het Hof toe aan de oorspronkelijke aandelen. Omdat de preferente aandelen werden ingetrokken zonder statutenwijziging en de vennootschap voldoende winstreserves bezat was deze dividenduitkering progressief belast, aldus het Hof. De tweede uitgifte werd op dezelfde wijze toegerekend aan de oorspronkelijke gewone aandelen en de later verkregen bonusaandelen. Op een gedeelte van ƒ 840.000 was volgens het Hof het nieuwe AB-regime van toepassing. Het restant ad ƒ 160.000 viel onder het oude AB-regime. De Hoge Raad was van oordeel dat het Hof ten onrechte de nieuwe regeling had toegepast. Volgens de parlementaire toelichting op het wetsvoorstel was het de bedoeling van de wetgever om de terugwerkende kracht alleen van toepassing te laten zijn op agiobonussen die zijn uitgereikt op aandelen die onder het turboregime vielen. De gewone aandelen vielen niet onder dat regime. Ook had het Hof ten onrechte het progressieve tarief toegepast op een gedeelte van de inkoop van preferente aandelen. Het Hof had een wetsbepaling toegepast die gold bij een gedeeltelijke teruggaaf van het op de aandelen gestorte bedrag, waarbij de aandeelhouder de aandelen behield. In dit geval was echter sprake van intrekking van aandelen met terugbetaling van het op die aandelen gestorte kapitaal. Net als bij een inkoop van aandelen door de vennootschap zelf moest alleen het gedeelte van de terugbetaling boven het op de aandelen gestorte bedrag als inkomen uit aandelen worden beschouwd. Terugbetaling van de nominale waarde leidde niet tot belastingheffing. De verkoop van het tweede pakket preferente aandelen was een vervreemding van een aanmerkelijk belang. De aanmerkelijk belangwinst was gelijk aan de opbrengst bij verkoop omdat de verkrijgingsprijs nihil was. Dat betekende dat een bedrag van ƒ 1 miljoen belast was tegen 20%. De staatssecretaris van Financiën had in zijn verweerschrift zogenaamd incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Naar zijn mening was het Hof ten onrechte niet ingegaan op de stelling van de inspecteur dat de eerste uitreiking samen met het gelijktijdig genomen besluit tot intrekking van de uitgereikte aandelen een schijnhandeling was. De Hoge Raad wees het incidentele beroep af. Uit de uitspraak van het Hof bleek dat er geen schijnhandeling was geweest, aangezien zowel de uitgifte als de intrekking van de aandelen daadwerkelijk hadden plaatsgevonden. Deze rechtshandelingen konden niet als een uitkering van een dividend in contanten worden aangemerkt. Door de eerste uitreiking van aandelen ten laste van de agioreserve en de intrekking van die aandelen was het gestorte kapitaal van de vennootschap verlaagd met het bedrag van de terugbetaling. Er was geen sprake van een claimverlies en dus evenmin van een handelen in strijd met doel en strekking van de wet.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u