Niet verhuurde tweede woning was eigen woning; geen aftrek herstelkosten
Vijf kinderen erfden na het overlijden van hun ouders gezamenlijk de vakantiewoning van de ouders. Dat gebeurde in 1994. Pas in 1999 waren de kinderen het eens over de toedeling van de woning aan één van hen. Dit kind werd in 2000 juridisch eigenaar van de woning. In dat jaar werden grote herstelkosten gemaakt omdat de woning ernstig was beschadigd tijdens een storm. In geschil was of deze kosten in aftrek konden worden gebracht. Bepalend daarvoor was of er sprake was van een woning bestemd voor de verhuur of van een eigen woning. In dat laatste geval moest het huurwaardeforfait worden bijgeteld en was er geen recht op aftrek van kosten. Volgens Hof Leeuwarden moest de eigenaar van de woning bewijzen dat de kosten aftrekbaar waren. De bewijslast hield concreet in dat hij aannemelijk moest maken dat de woning niet feitelijk ter beschikking stond aan hem of aan zijn partner en dat zij geen voornemen hadden om de woning zelf te gaan gebruiken. Voor de bepleite bestemming voor verhuur werden onvoldoende concrete bewijzen overgelegd. Zo ontbraken advertenties en andere stukken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de woning uitsluitend bestemd was voor de verhuur. De lange periode van de herstelwerkzaamheden, waarin de woning volgens de eigenaar niet te verhuren was, maakte het verhuurvoornemen niet aannemelijk. Het Hof vond het niet logisch om ingeval van een verhuurvoornemen de herstelwerkzaamheden te spreiden over diverse jaren, waardoor huurinkomsten werden gederfd. Dat de woning mogelijkerwijs in de jaren 2000, 2002 en 2003 in zeer beperkte mate werd verhuurd stond aan de kwalificatie als eigen woning niet in de weg. Het beroep was ongegrond.
Vijf kinderen erfden na het overlijden van hun ouders gezamenlijk de vakantiewoning van de ouders. Dat gebeurde in 1994. Pas in 1999 waren de kinderen het eens over de toedeling van de woning aan één van hen. Dit kind werd in 2000 juridisch eigenaar van de woning. In dat jaar werden grote herstelkosten gemaakt omdat de woning ernstig was beschadigd tijdens een storm. In geschil was of deze kosten in aftrek konden worden gebracht. Bepalend daarvoor was of er sprake was van een woning bestemd voor de verhuur of van een eigen woning. In dat laatste geval moest het huurwaardeforfait worden bijgeteld en was er geen recht op aftrek van kosten. Volgens Hof Leeuwarden moest de eigenaar van de woning bewijzen dat de kosten aftrekbaar waren. De bewijslast hield concreet in dat hij aannemelijk moest maken dat de woning niet feitelijk ter beschikking stond aan hem of aan zijn partner en dat zij geen voornemen hadden om de woning zelf te gaan gebruiken. Voor de bepleite bestemming voor verhuur werden onvoldoende concrete bewijzen overgelegd. Zo ontbraken advertenties en andere stukken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de woning uitsluitend bestemd was voor de verhuur. De lange periode van de herstelwerkzaamheden, waarin de woning volgens de eigenaar niet te verhuren was, maakte het verhuurvoornemen niet aannemelijk. Het Hof vond het niet logisch om ingeval van een verhuurvoornemen de herstelwerkzaamheden te spreiden over diverse jaren, waardoor huurinkomsten werden gederfd. Dat de woning mogelijkerwijs in de jaren 2000, 2002 en 2003 in zeer beperkte mate werd verhuurd stond aan de kwalificatie als eigen woning niet in de weg. Het beroep was ongegrond.