Niet in loonbelasting verwerkte opties mochten in inkomstenbelasting worden betrokken

De belastingheffing over optierechten die aan werknemers werden toegekend was afhankelijk van het al dan niet voorwaardelijk zijn van de optierechten. Op het moment waarop de opties onvoorwaardelijk werden gold een van de waarde van de onderliggende aandelen afhankelijke forfaitaire waardering. Bij uitoefening van de opties binnen drie jaar na het onvoorwaardelijk worden volgde een aanvullende belastingheffing over het behaalde voordeel. Een in Nederland gevestigde dochtervennootschap van een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde vennootschap kende in 1998 optierechten op aandelen in de moedermaatschappij toe aan een aantal werknemers. De opties kenden een looptijd van 10 jaar en konden in 5 tranches van ieder 20 % uitgeoefend worden. De eerste tranche kon één jaar na de datum van toekenning uitgeoefend worden; iedere volgende tranche steeds een jaar later. Met de toekenning van de optierechten werd in de loonbelasting geen rekening gehouden. Een van de werknemers oefende in 1999 een deel van zijn opties uit. Het daarbij behaalde voordeel verwerkte hij niet in zijn aangifte. De inspecteur bracht een correctie aan op het inkomen die verband hield met het onvoorwaardelijk worden van de eerste tranche van de optierechten. Daarbij ging hij echter uit van een verkeerde datum waarop de rechten onvoorwaardelijk waren geworden.Vervolgens legde de inspecteur een navorderingsaanslag op over 1999 omdat de inspecteur in 2002 nieuwe informatie over het tijdstip waarop de tranches onvoorwaardelijk werden had gekregen. Tegelijkertijd verwerkte de inspecteur het werkelijk genoten voordeel bij de uitoefening van een deel van de opties in de navorderingsaanslag. De werknemer bestreed de aan hem opgelegde navorderingsaanslag. De rechtbank beoordeelde de vraag of de inspecteur beschikte over het voor navordering vereiste nieuwe feit afzonderlijk voor het forfaitaire voordeel en voor het werkelijke voordeel uit de optierechten. De rechtbank was van oordeel dat de inspecteur bij het vaststellen van de primitieve aanslag het moment waarop de opties onvoorwaardelijk werden onjuist had vastgesteld. Deze beoordelingsfout was voor rekening van de inspecteur en verhinderde het opleggen van een navorderingsaanslag voor het forfaitair berekende voordeel. De uitoefening van een deel van de optierechten in 1999 was bij de Belastingdienst op het moment van het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting 1999 niet bekend. In zoverre was wel sprake van een nieuw feit en mocht dus worden nagevorderd. De belastingdienst deed een beroep op interne compensatie omdat de aanvullende heffing moest worden berekend over het werkelijk behaalde voordeel verminderd met het forfaitair berekende voordeel zoals dat in de primitieve aanslag was verwerkt. De rechtbank honoreerde dat beroep. In de navorderingsaanslag was voor de berekening van het aanvullende inkomen uitgegaan van het juiste, hogere forfaitaire voordeel. Rekening houdend met het in de primitieve aanslag verwerkte forfaitaire voordeel zou het belastbare inkomen hoger zijn dan in de navorderingsaanslag was vastgesteld. De navorderingsaanslag bleef daarom geheel in stand.De werknemer meende dat de inspecteur niet had mogen navorderen maar aan de werkgever een naheffingsaanslag had moeten opleggen omdat deze ten onrechte geen loonbelasting had ingehouden over een aan de werknemer verstrekte beloning. Daartoe was de inspecteur niet verplicht. De inspecteur mag het loonbestanddeel bij de werknemer in de inkomstenbelasting betrekken omdat de loonbelasting een voorheffing is op de inkomstenbelasting.Hoewel de inspecteur bij het maken van een keuze tussen het opleggen van een naheffingsaanslag loonbelasting aan de werkgever en het opleggen van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting aan de werknemer gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, hoefde dat de inspecteur in dit geval niet te weerhouden van het opleggen van een navorderingsaanslag.
De belastingheffing over optierechten die aan werknemers werden toegekend was afhankelijk van het al dan niet voorwaardelijk zijn van de optierechten. Op het moment waarop de opties onvoorwaardelijk werden gold een van de waarde van de onderliggende aandelen afhankelijke forfaitaire waardering. Bij uitoefening van de opties binnen drie jaar na het onvoorwaardelijk worden volgde een aanvullende belastingheffing over het behaalde voordeel. Een in Nederland gevestigde dochtervennootschap van een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde vennootschap kende in 1998 optierechten op aandelen in de moedermaatschappij toe aan een aantal werknemers. De opties kenden een looptijd van 10 jaar en konden in 5 tranches van ieder 20 % uitgeoefend worden. De eerste tranche kon één jaar na de datum van toekenning uitgeoefend worden; iedere volgende tranche steeds een jaar later. Met de toekenning van de optierechten werd in de loonbelasting geen rekening gehouden. Een van de werknemers oefende in 1999 een deel van zijn opties uit. Het daarbij behaalde voordeel verwerkte hij niet in zijn aangifte. De inspecteur bracht een correctie aan op het inkomen die verband hield met het onvoorwaardelijk worden van de eerste tranche van de optierechten. Daarbij ging hij echter uit van een verkeerde datum waarop de rechten onvoorwaardelijk waren geworden.Vervolgens legde de inspecteur een navorderingsaanslag op over 1999 omdat de inspecteur in 2002 nieuwe informatie over het tijdstip waarop de tranches onvoorwaardelijk werden had gekregen. Tegelijkertijd verwerkte de inspecteur het werkelijk genoten voordeel bij de uitoefening van een deel van de opties in de navorderingsaanslag. De werknemer bestreed de aan hem opgelegde navorderingsaanslag. De rechtbank beoordeelde de vraag of de inspecteur beschikte over het voor navordering vereiste nieuwe feit afzonderlijk voor het forfaitaire voordeel en voor het werkelijke voordeel uit de optierechten. De rechtbank was van oordeel dat de inspecteur bij het vaststellen van de primitieve aanslag het moment waarop de opties onvoorwaardelijk werden onjuist had vastgesteld. Deze beoordelingsfout was voor rekening van de inspecteur en verhinderde het opleggen van een navorderingsaanslag voor het forfaitair berekende voordeel. De uitoefening van een deel van de optierechten in 1999 was bij de Belastingdienst op het moment van het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting 1999 niet bekend. In zoverre was wel sprake van een nieuw feit en mocht dus worden nagevorderd. De belastingdienst deed een beroep op interne compensatie omdat de aanvullende heffing moest worden berekend over het werkelijk behaalde voordeel verminderd met het forfaitair berekende voordeel zoals dat in de primitieve aanslag was verwerkt. De rechtbank honoreerde dat beroep. In de navorderingsaanslag was voor de berekening van het aanvullende inkomen uitgegaan van het juiste, hogere forfaitaire voordeel. Rekening houdend met het in de primitieve aanslag verwerkte forfaitaire voordeel zou het belastbare inkomen hoger zijn dan in de navorderingsaanslag was vastgesteld. De navorderingsaanslag bleef daarom geheel in stand.De werknemer meende dat de inspecteur niet had mogen navorderen maar aan de werkgever een naheffingsaanslag had moeten opleggen omdat deze ten onrechte geen loonbelasting had ingehouden over een aan de werknemer verstrekte beloning. Daartoe was de inspecteur niet verplicht. De inspecteur mag het loonbestanddeel bij de werknemer in de inkomstenbelasting betrekken omdat de loonbelasting een voorheffing is op de inkomstenbelasting.Hoewel de inspecteur bij het maken van een keuze tussen het opleggen van een naheffingsaanslag loonbelasting aan de werkgever en het opleggen van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting aan de werknemer gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, hoefde dat de inspecteur in dit geval niet te weerhouden van het opleggen van een navorderingsaanslag.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u