Niet in loonbelasting betrokken opties mogen worden belast met inkomstenbelasting
De inspecteur heeft de keuze om, wanneer een werkgever ten onrechte geen loonbelasting inhoudt op een loonbestanddeel, een naheffingsaanslag aan de werkgever op te leggen of om het loonbestanddeel bij de werknemer in de inkomstenbelasting te betrekken. De inspecteur is daarbij wel gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Op grond daarvan mag geen loonbelasting bij de werkgever worden nageheven om de navorderingsvereisten te omzeilen. Volgens Hof Amsterdam handelde de inspecteur niet in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur door een werknemer in de inkomstenbelasting te betrekken voor de voordelen uit een optieregeling. De werknemer voerde nog aan dat de heffing onbillijk was. Het in 1999 belaste forfaitaire bedrag werd in 2000 gecorrigeerd omdat binnen drie jaren een hoger werkelijk voordeel was behaald, terwijl over het jaar 2000 een forfaitair berekend bedrag werd belast, maar geen rekening gehouden werd met het korte tijd later behaalde lagere resultaat. Volgens het Hof heeft de minister van Financiƫn als enige de mogelijkheid om een door de wetgever niet bedoelde onbillijkheid weg te nemen met behulp van de zogenaamde hardheidsclausule. Een beroep op deze clausule voor de rechter is niet mogelijk.
De inspecteur heeft de keuze om, wanneer een werkgever ten onrechte geen loonbelasting inhoudt op een loonbestanddeel, een naheffingsaanslag aan de werkgever op te leggen of om het loonbestanddeel bij de werknemer in de inkomstenbelasting te betrekken. De inspecteur is daarbij wel gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Op grond daarvan mag geen loonbelasting bij de werkgever worden nageheven om de navorderingsvereisten te omzeilen. Volgens Hof Amsterdam handelde de inspecteur niet in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur door een werknemer in de inkomstenbelasting te betrekken voor de voordelen uit een optieregeling. De werknemer voerde nog aan dat de heffing onbillijk was. Het in 1999 belaste forfaitaire bedrag werd in 2000 gecorrigeerd omdat binnen drie jaren een hoger werkelijk voordeel was behaald, terwijl over het jaar 2000 een forfaitair berekend bedrag werd belast, maar geen rekening gehouden werd met het korte tijd later behaalde lagere resultaat. Volgens het Hof heeft de minister van Financiƫn als enige de mogelijkheid om een door de wetgever niet bedoelde onbillijkheid weg te nemen met behulp van de zogenaamde hardheidsclausule. Een beroep op deze clausule voor de rechter is niet mogelijk.