Niet de rechter maar de wetgever moet fouten in Ziekenfondswet zelfstandigen aanpassen
In een procedure over een aanslag in de premieheffing Ziekenfondswet voor ondernemers kwam Hof Amsterdam tot het oordeel dat er een ongeoorloofd onderscheid werd gemaakt tussen verplicht verzekerde werknemers en verplicht verzekerde ondernemers. De premie die een werknemer moest betalen was een percentage van het loon. Bij een ondernemer werd de premie berekend over zijn totale inkomen, dus niet alleen zijn arbeidsinkomen. Desondanks vond het Hof dat het niet aan de rechter maar aan de politiek was om dat ongeoorloofde onderscheid op te heffen. De rechter moet zich terughoudend opstellen bij het ingrijpen in een wettelijke regeling, zeker als er verschillende oplossingen denkbaar zijn om rechtsherstel te bieden. Zo zou het mogelijk zijn om geen rekening te houden met het box 3-inkomen als grondslag voor de premie, maar die oplossing zou in strijd zijn met het beleid van de wetgever om de feitelijke financiƫle draagkracht als uitgangspunt te nemen voor een inkomensafhankelijke regeling. Op basis van dit uitgangspunt zou het voor de hand liggen om ook bij werknemers dezelfde grondslag te hanteren als bij zelfstandigen. De belanghebbende in de procedure voor het Hof zou daar echter geen baat bij hebben, terwijl de oplossing ook niet zou passen binnen de uitvoeringssystematiek van de Ziekenfondswet. Ook het inmiddels aanvaarde wetsvoorstel van de Zorgverzekeringswet weerhield het Hof van ingrijpen. In cassatie ging de Hoge Raad niet in op de vraag of er een ongeoorloofd onderscheid werd gemaakt. Wel onderschreef de Hoge Raad het oordeel van het Hof dat ingrijpen niet aan de rechter maar aan de wetgever moest worden overgelaten.
In een procedure over een aanslag in de premieheffing Ziekenfondswet voor ondernemers kwam Hof Amsterdam tot het oordeel dat er een ongeoorloofd onderscheid werd gemaakt tussen verplicht verzekerde werknemers en verplicht verzekerde ondernemers. De premie die een werknemer moest betalen was een percentage van het loon. Bij een ondernemer werd de premie berekend over zijn totale inkomen, dus niet alleen zijn arbeidsinkomen. Desondanks vond het Hof dat het niet aan de rechter maar aan de politiek was om dat ongeoorloofde onderscheid op te heffen. De rechter moet zich terughoudend opstellen bij het ingrijpen in een wettelijke regeling, zeker als er verschillende oplossingen denkbaar zijn om rechtsherstel te bieden. Zo zou het mogelijk zijn om geen rekening te houden met het box 3-inkomen als grondslag voor de premie, maar die oplossing zou in strijd zijn met het beleid van de wetgever om de feitelijke financiƫle draagkracht als uitgangspunt te nemen voor een inkomensafhankelijke regeling. Op basis van dit uitgangspunt zou het voor de hand liggen om ook bij werknemers dezelfde grondslag te hanteren als bij zelfstandigen. De belanghebbende in de procedure voor het Hof zou daar echter geen baat bij hebben, terwijl de oplossing ook niet zou passen binnen de uitvoeringssystematiek van de Ziekenfondswet. Ook het inmiddels aanvaarde wetsvoorstel van de Zorgverzekeringswet weerhield het Hof van ingrijpen. In cassatie ging de Hoge Raad niet in op de vraag of er een ongeoorloofd onderscheid werd gemaakt. Wel onderschreef de Hoge Raad het oordeel van het Hof dat ingrijpen niet aan de rechter maar aan de wetgever moest worden overgelaten.