Nevenwerkzaamheden in dienstbetrekking verricht
Een DGA werkte niet alleen voor zijn BV, maar ook parttime als docent. Voor deze werkzaamheden verzocht hij om een VAR/DGA om de inkomsten toe te kunnen rekenen aan zijn BV. In plaats daarvan verstrekte de belastingdienst hem een VAR/loon. Het UWV had eerder de arbeidsrelaties tussen het opleidingsinstituut en alle daar werkzame docenten aangemerkt als een dienstbetrekking, welk oordeel in een procedure door de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd.
Gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden als docent was de rechtbank van oordeel dat er een gezagsrelatie bestond tussen opleidingsinstituut en docent. De organisatie en planning van cursussen was in handen van het opleidingsinstituut. Alle cursussen werden geƫvalueerd. De evaluatie kon gevolgen hebben voor het aanblijven als docent.
Aan de andere twee criteria van een dienstbetrekking, de verplichting om loon te betalen en verplichting om de werkzaamheden persoonlijk te verrichten, was voldaan.
De rechtbank vond niet van belang dat het opleidingsinstituut formeel de BV opdracht gaf tot doceren, waarna de BV deze opdracht doorgaf aan de DGA. Evenmin was van belang dat de BV voor deze werkzaamheden factureerde aan het opleidingsinstituut. Volgens de rechtbank wilde het opleidingsinstituut zaken doen met de DGA vanwege zijn specifieke kennis en ervaring en niet met de BV.
Een DGA werkte niet alleen voor zijn BV, maar ook parttime als docent. Voor deze werkzaamheden verzocht hij om een VAR/DGA om de inkomsten toe te kunnen rekenen aan zijn BV. In plaats daarvan verstrekte de belastingdienst hem een VAR/loon. Het UWV had eerder de arbeidsrelaties tussen het opleidingsinstituut en alle daar werkzame docenten aangemerkt als een dienstbetrekking, welk oordeel in een procedure door de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd.
Gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden als docent was de rechtbank van oordeel dat er een gezagsrelatie bestond tussen opleidingsinstituut en docent. De organisatie en planning van cursussen was in handen van het opleidingsinstituut. Alle cursussen werden geƫvalueerd. De evaluatie kon gevolgen hebben voor het aanblijven als docent.
Aan de andere twee criteria van een dienstbetrekking, de verplichting om loon te betalen en verplichting om de werkzaamheden persoonlijk te verrichten, was voldaan.
De rechtbank vond niet van belang dat het opleidingsinstituut formeel de BV opdracht gaf tot doceren, waarna de BV deze opdracht doorgaf aan de DGA. Evenmin was van belang dat de BV voor deze werkzaamheden factureerde aan het opleidingsinstituut. Volgens de rechtbank wilde het opleidingsinstituut zaken doen met de DGA vanwege zijn specifieke kennis en ervaring en niet met de BV.