Nederlandse beperking aftrek voorbelasting in strijd met EG-recht
Een BTW-ondernemer heeft het recht ervoor te kiezen om een investeringsgoed dat hij gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden en gedeeltelijk voor andere doeleinden gebruikt volledig tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen. Daarbij hoort het recht op volledige aftrek van de in rekening gebrachte voorbelasting. Tegenover het recht op aftrek van voorbelasting staat de verplichting om BTW te betalen over de uitgaven die voor het gebruik van dat goed voor andere dan bedrijfsdoeleinden zijn gemaakt. De Nederlandse wetgeving bevat echter een bepaling die de aftrek van voorbelasting bij dergelijke investeringen slechts toestaat naar rato van het veronderstelde zakelijke gebruik. Het privé-gebruik is niet belast volgens de Nederlandse regelgeving. Deze regeling is volgens het Hof van Justitie EG in strijd met de Europese regelgeving. Het recht op aftrek van voorbelasting werd bij de Tweede richtlijn ingevoerd. Deze richtlijn gaf de lidstaten de bevoegdheid om bepaalde goederen en bepaalde diensten uit te sluiten van het recht op aftrek van voorbelasting, maar gaf niet de mogelijkheid om alle goederen uit te sluiten van de aftrek van voorbelasting voorzover zij voor de privé-behoeften van de belastingplichtige worden gebruikt. De Hoge Raad had op dit punt om uitleg gevraagd aan het Hof van Justitie EG. De procedure betrof een vakantiewoning, die zowel bestemd was voor de verhuur als voor eigen gebruik. De exploitant van de vakantiewoning was ondernemer voor de omzetbelasting. De inspecteur stond de aftrek van voorbelasting toe overeenkomstig het veronderstelde zakelijke gebruik. Dat bedroeg voor de vakantiewoning 87,5 %. De overige 12,5 % was privé-gebruik. De ondernemer wenste echter 100 % van de hem in rekening gebrachte omzetbelasting te kunnen verrekenen. De belastingdienst weigerde dat verzoek. Hof Den Bosch was van oordeel dat de inspecteur de aanvullende aftrek terecht had geweigerd.
Een BTW-ondernemer heeft het recht ervoor te kiezen om een investeringsgoed dat hij gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden en gedeeltelijk voor andere doeleinden gebruikt volledig tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen. Daarbij hoort het recht op volledige aftrek van de in rekening gebrachte voorbelasting. Tegenover het recht op aftrek van voorbelasting staat de verplichting om BTW te betalen over de uitgaven die voor het gebruik van dat goed voor andere dan bedrijfsdoeleinden zijn gemaakt. De Nederlandse wetgeving bevat echter een bepaling die de aftrek van voorbelasting bij dergelijke investeringen slechts toestaat naar rato van het veronderstelde zakelijke gebruik. Het privé-gebruik is niet belast volgens de Nederlandse regelgeving. Deze regeling is volgens het Hof van Justitie EG in strijd met de Europese regelgeving. Het recht op aftrek van voorbelasting werd bij de Tweede richtlijn ingevoerd. Deze richtlijn gaf de lidstaten de bevoegdheid om bepaalde goederen en bepaalde diensten uit te sluiten van het recht op aftrek van voorbelasting, maar gaf niet de mogelijkheid om alle goederen uit te sluiten van de aftrek van voorbelasting voorzover zij voor de privé-behoeften van de belastingplichtige worden gebruikt. De Hoge Raad had op dit punt om uitleg gevraagd aan het Hof van Justitie EG. De procedure betrof een vakantiewoning, die zowel bestemd was voor de verhuur als voor eigen gebruik. De exploitant van de vakantiewoning was ondernemer voor de omzetbelasting. De inspecteur stond de aftrek van voorbelasting toe overeenkomstig het veronderstelde zakelijke gebruik. Dat bedroeg voor de vakantiewoning 87,5 %. De overige 12,5 % was privé-gebruik. De ondernemer wenste echter 100 % van de hem in rekening gebrachte omzetbelasting te kunnen verrekenen. De belastingdienst weigerde dat verzoek. Hof Den Bosch was van oordeel dat de inspecteur de aanvullende aftrek terecht had geweigerd.