
Aanvankelijk werd namens iemand een oningevulde aangifte inkomstenbelasting ingediend. Ruim een jaar later diende zijn adviseur alsnog een ingevulde aangifte in. In de tussentijd had de inspecteur de eerste aangifte al verwerkt in een aanslag die nog niet was verstuurd maar die door het geautomatiseerde proces van verwerking niet meer kon worden tegengehouden. De inspecteur stuurde de adviseur een brief waarin hij meedeelde dat de op korte termijn te verwachten aanslag niet juist was en dat hij dat zou herstellen door het opleggen van een correcte aanslag, gebaseerd op de tweede aangifte. Dat gebeurde in de vorm van een navorderingsaanslag. De belanghebbende bestreed de navorderingsaanslag met een beroep op het ontbreken van een voor navordering vereist nieuw feit.
De rechtbank was van oordeel dat de inspecteur met zijn brief tijdig had laten weten dat de eerste aanslag niet juist was en dat daarom navordering terecht had plaatsgevonden.