
Wanneer aanvankelijk te weinig belasting is geheven, kan de Belastingdienst dat herstellen door het opleggen van een navorderingsaanslag. De navorderingsaanslag moet worden opgelegd binnen een periode van vijf jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Voor de belastingheffing over inkomensbestanddelen die in het buitenland zijn verworven of vermogensbestanddelen die in het buitenland worden aangehouden geldt een verlengde navorderingstermijn van 12 jaar. Het Hof van Justitie EU heeft in een arrest uit 2009 vastgesteld dat de verlengde navorderingstermijn niet in strijd is met het Europese recht. Wel geldt bij gebruik van de verlengde navorderingstermijn de beperking dat de Belastingdienst binnen een redelijke termijn nadat zij aanwijzingen heeft gekregen over het bestaan van buitenlandse inkomsten of vermogensbestanddelen de navorderingsaanslag moet opleggen.
De rechtbank Leeuwarden moest in een procedure beoordelen of de Belastingdienst meer tijd had benut voor het opleggen van navorderingsaanslagen dan nodig was om alle inlichtingen te verzamelen voor het bepalen van de verschuldigde belasting. De rechtbank vond een periode van ruim acht maanden tussen het moment waarop de Belastingdienst wist dat iemand buitenlandse banktegoeden aanhield en het moment waarop de Belastingdienst verdere stappen ondernam, te lang. De rechtbank vernietigde de opgelegde navorderingsaanslagen omdat zij in strijd met het evenredigheidsbeginsel waren opgelegd.