Navordering inkomstenbelasting over optierechten in jaar van onvoorwaardelijk worden terecht
Aan een werknemer die in dienst was van de Nederlandse dochtermaatschappij van een Amerikaans concern werden in 1997 voorwaardelijke optierechten toegekend door de moedermaatschappij. In 1998 werd 20% van de toegekende opties onvoorwaardelijk. De waarde van de opties was niet in de loonbelasting betrokken. In zijn aangifte inkomstenbelasting 1998 gaf de werknemer niet aan dat de opties onvoorwaardelijk geworden waren. Nadat de belastingdienst de aanslag inkomstenbelasting 1998 had opgelegd deelde de werknemer aan de belastingdienst mee dat hij in 1997 opties had gekregen die niet waren aangegeven. De belastingdienst legde aanvankelijk een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1997 op en later ook een navorderingsaanslag 1998. De werknemer was van mening dat er geen nieuw feit was op grond waarvan over 1998 kon worden nagevorderd. Hof Amsterdam stelde vast dat de belastingdienst pas na het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting 1998 op de hoogte was van de opties. Er waren wel contacten geweest tussen de werkgever en de loonbelastinginspectie over de optieregeling, maar daarbij waren geen namen genoemd van betrokken werknemers. Daarom mocht er worden nagevorderd. Het Hof was verder van oordeel dat de belastingdienst niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelde bij het opleggen van de navorderingsaanslag. Er bestond geen landelijk gecoördineerd beleid van de belastingdienst om af te wijken van de wettelijke regeling. De bevoegde inspecteur paste voor de zeven werknemers van het bedrijf in zijn eenheid de wettelijke regeling toe. De belastingdienst zegde toe de navorderingsaanslag 1997 te vernietigen omdat er in 1997 geen te belasten voordeel uit de opties was. Dat voordeel ontstond pas bij het onvoorwaardelijk worden van de opties.
Aan een werknemer die in dienst was van de Nederlandse dochtermaatschappij van een Amerikaans concern werden in 1997 voorwaardelijke optierechten toegekend door de moedermaatschappij. In 1998 werd 20% van de toegekende opties onvoorwaardelijk. De waarde van de opties was niet in de loonbelasting betrokken. In zijn aangifte inkomstenbelasting 1998 gaf de werknemer niet aan dat de opties onvoorwaardelijk geworden waren. Nadat de belastingdienst de aanslag inkomstenbelasting 1998 had opgelegd deelde de werknemer aan de belastingdienst mee dat hij in 1997 opties had gekregen die niet waren aangegeven. De belastingdienst legde aanvankelijk een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1997 op en later ook een navorderingsaanslag 1998. De werknemer was van mening dat er geen nieuw feit was op grond waarvan over 1998 kon worden nagevorderd. Hof Amsterdam stelde vast dat de belastingdienst pas na het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting 1998 op de hoogte was van de opties. Er waren wel contacten geweest tussen de werkgever en de loonbelastinginspectie over de optieregeling, maar daarbij waren geen namen genoemd van betrokken werknemers. Daarom mocht er worden nagevorderd. Het Hof was verder van oordeel dat de belastingdienst niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelde bij het opleggen van de navorderingsaanslag. Er bestond geen landelijk gecoördineerd beleid van de belastingdienst om af te wijken van de wettelijke regeling. De bevoegde inspecteur paste voor de zeven werknemers van het bedrijf in zijn eenheid de wettelijke regeling toe. De belastingdienst zegde toe de navorderingsaanslag 1997 te vernietigen omdat er in 1997 geen te belasten voordeel uit de opties was. Dat voordeel ontstond pas bij het onvoorwaardelijk worden van de opties.