
De belastingdienst legde een naheffingsaanslag accijns op aan een ondernemer die in België olie had gekocht en doorverkocht. De olie was door de verkoper direct aan de uiteindelijke afnemer in Nederland geleverd. Voor de omzetbelasting had de verkoper het 0%-tarief gehanteerd. De koper had een intracommunautaire verwerving aangegeven.
De vraag was of de naheffingsaanslag accijns terecht aan de tussenpersoon was opgelegd.
Voorwaarde daarvoor was dat de tussenpersoon de olie op enig moment voorhanden heeft gehad. Het begrip “voorhanden hebben” is door de Hoge Raad uitgelegd als het hebben van de feitelijke beschikkingsmacht. Dat begrip moet beperkt worden uitgelegd, wat erop neer komt dat iemand de fysieke mogelijkheid moet hebben om bij de goederen te komen.
In dit geval had de belastingdienst niet aannemelijk gemaakt dat de tussenpersoon de feitelijke beschikkingsmacht over de olie heeft gehad, aangezien vast stond dat de levering buiten hem om heeft plaatsgevonden. De naheffingsaanslag accijns was ten onrechte aan de tussenpersoon opgelegd. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag daarom vernietigd.