Naheffing teruggeven BPM taxi
Bij de registratie van een personenauto moet BPM worden betaald. Voor bepaalde categorieën voertuigen gelden vrijstellingen, zoals voor taxi’s. De vrijstelling voor taxi’s is afhankelijk van het gebruik van de auto voor taxivervoer in een periode van drie jaar. Aanvankelijk bevatte de wet BPM een teruggaafregeling, waarbij de belasting steeds voor 1/3 gedeelte werd teruggegeven nadat een jaar was verstreken vanaf de aanvang van het gebruik van de auto voor het taxivervoer.
Op grond van een besluit van de staatssecretaris van Financiën bestond onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid om de belasting in één keer terug te vragen nadat de auto als taxi was geregistreerd. Deze teruggaaf ineens was voorwaardelijk en werd steeds na een periode van een jaar voor 1/3 deel onvoorwaardelijk, mits aan de voorwaarden was voldaan. Wanneer niet aan de voorwaarden werd voldaan legde de belastingdienst een naheffingsaanslag op. De bevoegdheid om een naheffingsaanslag op te leggen in geval van teruggaven van belasting is echter beperkt tot teruggaven die zijn gedaan op een in de belastingwet geregeld verzoek.
Een taxibedrijf bestreed dat de teruggaaf ineens volgens het besluit van de staatssecretaris een in de belastingwet geregeld verzoek was. Hof Den Bosch deelde deze opvatting niet. Het besluit van de staatssecretaris maakte het mogelijk om de teruggaaf eerder te ontvangen dan volgens de wettelijke regeling. De mogelijkheid van teruggaaf was echter in de wet geregeld. De inspecteur was daarom bevoegd om de ten onrechte respectievelijk de tot een te hoog bedrag verleende teruggaaf na te heffen.
Bij de registratie van een personenauto moet BPM worden betaald. Voor bepaalde categorieën voertuigen gelden vrijstellingen, zoals voor taxi’s. De vrijstelling voor taxi’s is afhankelijk van het gebruik van de auto voor taxivervoer in een periode van drie jaar. Aanvankelijk bevatte de wet BPM een teruggaafregeling, waarbij de belasting steeds voor 1/3 gedeelte werd teruggegeven nadat een jaar was verstreken vanaf de aanvang van het gebruik van de auto voor het taxivervoer.
Op grond van een besluit van de staatssecretaris van Financiën bestond onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid om de belasting in één keer terug te vragen nadat de auto als taxi was geregistreerd. Deze teruggaaf ineens was voorwaardelijk en werd steeds na een periode van een jaar voor 1/3 deel onvoorwaardelijk, mits aan de voorwaarden was voldaan. Wanneer niet aan de voorwaarden werd voldaan legde de belastingdienst een naheffingsaanslag op. De bevoegdheid om een naheffingsaanslag op te leggen in geval van teruggaven van belasting is echter beperkt tot teruggaven die zijn gedaan op een in de belastingwet geregeld verzoek.
Een taxibedrijf bestreed dat de teruggaaf ineens volgens het besluit van de staatssecretaris een in de belastingwet geregeld verzoek was. Hof Den Bosch deelde deze opvatting niet. Het besluit van de staatssecretaris maakte het mogelijk om de teruggaaf eerder te ontvangen dan volgens de wettelijke regeling. De mogelijkheid van teruggaaf was echter in de wet geregeld. De inspecteur was daarom bevoegd om de ten onrechte respectievelijk de tot een te hoog bedrag verleende teruggaaf na te heffen.