Naheffing startgelden profsporters
Over betalingen die worden gedaan aan artiesten of beroepssporters moet loonbelasting worden ingehouden. Uitgangspunt is de gage van de artiest of de beroepssporter, inclusief kostenvergoedingen. Enkele specifieke betalingen zijn uitgezonderd van de gage.
De artiest of de beroepssporter kan aan de inspecteur een zogenaamde kostenvergoedingsbeschikking vragen. Het in deze beschikking genoemde bedrag behoort niet tot de gage.
Een organisator van tennistoernooien betaalde aan enkele van de deelnemers startgeld zonder daarover loonbelasting in te houden. Het betrof zowel in Nederland als in het buitenland wonende sporters. Enkele buitenlandse sporters woonden binnen de EU, anderen daarbuiten.
De belastingdienst legde een naheffingsaanslag loonbelasting op over het uitbetaalde startgeld. Enkele Nederlandse sporters hadden de aan hen betaalde startgelden in hun aangifte inkomstenbelasting verwerkt. Naheffing van loonbelasting was in die gevallen niet toegestaan. Ten aanzien van de naheffing over de startgelden van buitenlandse tennissers meende de organisator dat rekening gehouden moest worden met de kosten van de tennissers. De nageheven loonbelasting mocht niet hoger zijn dan de later verschuldigde inkomstenbelasting. Voor zover het ging om buiten de EU wonende sporters ging dat verweer niet op en mocht over het totaal van de betaalde startgelden belasting worden geheven naar het wettelijk tarief. Volgens de rechtbank hoefde bij de EU-onderdanen geen rekening gehouden te worden met kosten omdat er niet was gevraagd om een kostenvergoedingsbeschikking.
De eis van een kostenvergoedingsbeschikking is niet in strijd met het vrije dienstenverkeer.
De mogelijkheden voor aftrek van beroepskosten zijn voor buitenlandse en binnenlandse sporters gelijk. Beiden kunnen vragen om een kostenvergoedingsbeschikking vooraf of kunnen in een aangifte inkomstenbelasting achteraf de beroepskosten in aftrek brengen. De rechtbank wees het standpunt, dat een bronheffing naar een vast tarief slechts is toegestaan als deze niet hoger is dan de later verschuldigde inkomstenbelasting, af.
Over betalingen die worden gedaan aan artiesten of beroepssporters moet loonbelasting worden ingehouden. Uitgangspunt is de gage van de artiest of de beroepssporter, inclusief kostenvergoedingen. Enkele specifieke betalingen zijn uitgezonderd van de gage.
De artiest of de beroepssporter kan aan de inspecteur een zogenaamde kostenvergoedingsbeschikking vragen. Het in deze beschikking genoemde bedrag behoort niet tot de gage.
Een organisator van tennistoernooien betaalde aan enkele van de deelnemers startgeld zonder daarover loonbelasting in te houden. Het betrof zowel in Nederland als in het buitenland wonende sporters. Enkele buitenlandse sporters woonden binnen de EU, anderen daarbuiten.
De belastingdienst legde een naheffingsaanslag loonbelasting op over het uitbetaalde startgeld. Enkele Nederlandse sporters hadden de aan hen betaalde startgelden in hun aangifte inkomstenbelasting verwerkt. Naheffing van loonbelasting was in die gevallen niet toegestaan. Ten aanzien van de naheffing over de startgelden van buitenlandse tennissers meende de organisator dat rekening gehouden moest worden met de kosten van de tennissers. De nageheven loonbelasting mocht niet hoger zijn dan de later verschuldigde inkomstenbelasting. Voor zover het ging om buiten de EU wonende sporters ging dat verweer niet op en mocht over het totaal van de betaalde startgelden belasting worden geheven naar het wettelijk tarief. Volgens de rechtbank hoefde bij de EU-onderdanen geen rekening gehouden te worden met kosten omdat er niet was gevraagd om een kostenvergoedingsbeschikking.
De eis van een kostenvergoedingsbeschikking is niet in strijd met het vrije dienstenverkeer.
De mogelijkheden voor aftrek van beroepskosten zijn voor buitenlandse en binnenlandse sporters gelijk. Beiden kunnen vragen om een kostenvergoedingsbeschikking vooraf of kunnen in een aangifte inkomstenbelasting achteraf de beroepskosten in aftrek brengen. De rechtbank wees het standpunt, dat een bronheffing naar een vast tarief slechts is toegestaan als deze niet hoger is dan de later verschuldigde inkomstenbelasting, af.