
De levering van onroerende zaken is in het algemeen vrijgesteld van omzetbelasting. Verkoper en koper kunnen opteren voor een belaste levering, op voorwaarde dat de koper het pand voor belaste prestaties gaat gebruiken. Opteren voor een belaste levering voorkomt herziening van de in aftrek gebrachte voorbelasting bij de verkoper die het gevolg is van een vrijgestelde levering van een onroerende zaak binnen de herzieningstermijn van 10 jaar.
Het is mogelijk dat verkoper en koper aanvankelijk uitgaan van gebruik van de zaak voor belaste prestaties en daarom opteren voor belaste levering. Naderhand kan blijken dat de koper aan de onroerende zaak een andere bestemming geeft waarvoor niet had kunnen worden geopteerd voor belaste levering. De wet bepaalt dat de levering dan alsnog is vrijgesteld, met als gevolg dat de leverancier de in het verleden in aftrek gebrachte omzetbelasting moet herzien. Er wordt volgens de wet een naheffingsaanslag opgelegd aan de koper.
In een geval waarin na een belaste levering de koper het gekochte pand ging gebruiken voor vrijgestelde verhuur en vervolgens korte later vrijgesteld leverde aan een volgende koper, legde de inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting aan de koper op. De inspecteur stelde het bedrag van de aanslag op het bedrag aan omzetbelasting dat de verkoper op grond van de herzieningsregeling bij een vrijgestelde levering had moeten afdragen.
Volgens Hof Den Haag biedt de tekst van de wet niet de mogelijkheid om dat bedrag aan omzetbelasting na te heffen bij de koper. Die uitleg is volgens de Hoge Raad niet juist. Volgens de Hoge Raad laat de tekst van de wet voldoende ruimte voor de uitleg van de inspecteur.
Wel rijst bij de Hoge Raad de vraag of het de lidstaten is toegestaan om herzienings-btw na te heffen van een ander dan de belastingplichtige die de btw aanvankelijk in aftrek heeft gebracht. Die vraag heeft de Hoge Raad voorgelegd aan het Hof van Justitie EU.