
De houder van een auto moet motorrijtuigenbelasting betalen. Motorrijtuigenbelasting moet per tijdvak op aangifte worden betaald. Wanneer geen of te weinig motorrijtuigenbelasting is betaald kan de belastingdienst een naheffingsaanslag opleggen. Voor auto’s die als taxi worden gebruikt kent de wet een vrijstelling. Wanneer deze vrijstelling ten onrechte wordt toegepast kan de belastingdienst een naheffingsaanslag opleggen. Voor het opleggen van naheffingsaanslagen bevat de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een algemene regeling. Die regeling staat naheffing toe tot vijf jaar na afloop van het jaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De Wet op de Motorrijtuigenbelasting kent een specifieke regeling voor naheffing. In deze specifieke regeling is bepaald dat de inspecteur de belasting mag naheffen over het tijdvak waarin is geconstateerd dat een vrijstelling ten onrechte is toegepast en de belasting over de drie voorafgaande tijdvakken van drie maanden. Die regeling is bedoeld om bewijsproblemen voor de inspecteur te voorkomen.
De belastingdienst legde na een controle naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting op aan een taxiondernemer omdat hij de vrijstelling voor taxi’s ten onrechte had gebruikt.
Hof Amsterdam liet in hoger beroep de naheffingsaanslagen in stand. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd onder verwijzing naar een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2010. Volgens dat arrest had het hof het juiste bedrag van de na te heffen belasting moeten berekenen volgens de specifieke regeling op de belasting over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het onterechte gebruik van de vrijstelling is geconstateerd. Die opdracht ligt nu bij Hof Den Haag.