Naheffing loonbelasting van sportvereniging die band liet optreden
Een sportvereniging liet tweemaal een band optreden. Aan de ene band werd ƒ 1.850 uitbetaald; aan de andere band werd ƒ 2.250 uitbetaald. Over deze bedragen hield de sportvereniging geen loonheffing in, ondanks dat zij niet in het bezit was van inhoudingsplichtigenverklaringen, zelfstandigenverklaringen of loonverdelingsverklaringen van de bands. Na een looncontrole door het UWV legde de belastingdienst een naheffingsaanslag loonbelasting op over het gebruteerde loonbedrag naar het anoniementarief. Dat tarief werd gehanteerd omdat de identiteit van de bandleden niet bekend was. De vereniging was het niet eens met de brutering, omdat zij met de bands niet had afgesproken dat de belastingheffing voor rekening van de vereniging zou zijn. De uitbetaling vond plaats door vrijwilligers van de vereniging die zich niet bewust waren van enige belastinginhouding door de vereniging, maar ervan uit gingen dat de belastingheffing een zaak was van de bands. Volgens Hof Den Bosch moest ofwel direct worden gebruteerd ofwel op het moment waarop de inhoudingsplichtige de belasting en premie voor eigen rekening nam. De stelling dat in het geheel niet gebruteerd mocht worden was onjuist. Ook de toepassing van het anoniementarief was juist, omdat er in de administratie van de vereniging geen NAW-gegevens van de bandleden waren opgenomen. De stelling dat de muzikanten bekend waren op het moment van optreden kon de toepassing van het anoniementarief niet voorkomen, ook al omdat de vereniging niet aantoonde dat zij de identiteit van de bandleden had vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs. Het Hof was van oordeel dat verhaal van de nageheven loonbelasting op de bandleden door gedragingen van de vereniging als werkgever onmogelijk was gemaakt. De vereniging moest op het moment van betaling hebben beseft en aanvaard dat de loonbelasting voor haar rekening zou komen.
Een sportvereniging liet tweemaal een band optreden. Aan de ene band werd ƒ 1.850 uitbetaald; aan de andere band werd ƒ 2.250 uitbetaald. Over deze bedragen hield de sportvereniging geen loonheffing in, ondanks dat zij niet in het bezit was van inhoudingsplichtigenverklaringen, zelfstandigenverklaringen of loonverdelingsverklaringen van de bands. Na een looncontrole door het UWV legde de belastingdienst een naheffingsaanslag loonbelasting op over het gebruteerde loonbedrag naar het anoniementarief. Dat tarief werd gehanteerd omdat de identiteit van de bandleden niet bekend was. De vereniging was het niet eens met de brutering, omdat zij met de bands niet had afgesproken dat de belastingheffing voor rekening van de vereniging zou zijn. De uitbetaling vond plaats door vrijwilligers van de vereniging die zich niet bewust waren van enige belastinginhouding door de vereniging, maar ervan uit gingen dat de belastingheffing een zaak was van de bands. Volgens Hof Den Bosch moest ofwel direct worden gebruteerd ofwel op het moment waarop de inhoudingsplichtige de belasting en premie voor eigen rekening nam. De stelling dat in het geheel niet gebruteerd mocht worden was onjuist. Ook de toepassing van het anoniementarief was juist, omdat er in de administratie van de vereniging geen NAW-gegevens van de bandleden waren opgenomen. De stelling dat de muzikanten bekend waren op het moment van optreden kon de toepassing van het anoniementarief niet voorkomen, ook al omdat de vereniging niet aantoonde dat zij de identiteit van de bandleden had vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs. Het Hof was van oordeel dat verhaal van de nageheven loonbelasting op de bandleden door gedragingen van de vereniging als werkgever onmogelijk was gemaakt. De vereniging moest op het moment van betaling hebben beseft en aanvaard dat de loonbelasting voor haar rekening zou komen.