Naheffing brandstofaccijns vernietigd
Na een uitgevoerde controle bij een brandstoffenhandelaar legde de belastingdienst naheffingen accijns van minerale oliën, brandstoffenbelasting, regulerende energiebelasting en voorraadheffing op. De in de jaarstukken over 2000 opgegeven winstmarge van 4,9% week af van de door de belastingdienst geconstateerde feitelijke winstmarge van 2,5%. Aan de hand daarvan en aan de hand van de door de belastingdienst opgezette goederenbeweging werd geconcludeerd dat de handelaar meer blanke gasolie had verkocht dan hij had ingekocht. Met enige regelmaat was er administratief een negatieve voorraad. De negatieve voorraad bedroeg maximaal 165.000 liter. Volgens de belastingdienst was de meer verkochte hoeveelheid buiten de heffing van accijns gehouden. De handelaar verklaarde de verschillen door het gebruik van verouderde opslagtanks en meetapparatuur, waardoor de afgeleverde hoeveelheden in de praktijk lager waren dan de gefactureerde hoeveelheden. De handelaar had in een reeks van jaren geen rekening gehouden met de hoeveelheden aflever- en spoelverliezen. Volgens de handelaar verklaarde dat de door de belastingdienst geconstateerde extra voorraad.
Volgens de rechtbank moest de belastingdienst bewijzen dat de handelaar wist dat hij accijnsgoederen in voorraad had die niet in de heffing waren betrokken.
De rechtbank stelde vast dat de voorraadadministratie rommelig en gebrekkig was. De belastingdienst slaagde er echter niet in te bewijzen dat de handelaar meer accijnsgoederen had ingekocht dan uit de inkoopadministratie bleek. Daardoor was ook niet aannemelijk geworden dat die niet verantwoorde inkoop buiten de heffing van accijns was gebleven en al helemaal niet dat de handelaar daarvan op de hoogte was of had moeten zijn. De rechtbank vernietigde de naheffingsaanslagen die betrekking hadden op de geconstateerde negatieve voorraad.
Na een uitgevoerde controle bij een brandstoffenhandelaar legde de belastingdienst naheffingen accijns van minerale oliën, brandstoffenbelasting, regulerende energiebelasting en voorraadheffing op. De in de jaarstukken over 2000 opgegeven winstmarge van 4,9% week af van de door de belastingdienst geconstateerde feitelijke winstmarge van 2,5%. Aan de hand daarvan en aan de hand van de door de belastingdienst opgezette goederenbeweging werd geconcludeerd dat de handelaar meer blanke gasolie had verkocht dan hij had ingekocht. Met enige regelmaat was er administratief een negatieve voorraad. De negatieve voorraad bedroeg maximaal 165.000 liter. Volgens de belastingdienst was de meer verkochte hoeveelheid buiten de heffing van accijns gehouden. De handelaar verklaarde de verschillen door het gebruik van verouderde opslagtanks en meetapparatuur, waardoor de afgeleverde hoeveelheden in de praktijk lager waren dan de gefactureerde hoeveelheden. De handelaar had in een reeks van jaren geen rekening gehouden met de hoeveelheden aflever- en spoelverliezen. Volgens de handelaar verklaarde dat de door de belastingdienst geconstateerde extra voorraad.
Volgens de rechtbank moest de belastingdienst bewijzen dat de handelaar wist dat hij accijnsgoederen in voorraad had die niet in de heffing waren betrokken.
De rechtbank stelde vast dat de voorraadadministratie rommelig en gebrekkig was. De belastingdienst slaagde er echter niet in te bewijzen dat de handelaar meer accijnsgoederen had ingekocht dan uit de inkoopadministratie bleek. Daardoor was ook niet aannemelijk geworden dat die niet verantwoorde inkoop buiten de heffing van accijns was gebleven en al helemaal niet dat de handelaar daarvan op de hoogte was of had moeten zijn. De rechtbank vernietigde de naheffingsaanslagen die betrekking hadden op de geconstateerde negatieve voorraad.