Na overlijden moeder was fiscaal partnerschap met dochter niet meer mogelijk
Een meerderjarige vrouw voerde een huishouden met haar moeder tot deze op 17 juni 2002 overleed. In haar aangifte inkomstenbelasting over dat jaar bracht de dochter de kosten van het overlijden van haar moeder als buitengewone uitgaven in aftrek. De belastingdienst stond deze aftrek niet toe, omdat er geen sprake was van fiscaal partnerschap. Volgens de Wet IB 2001 zijn uitgaven wegens overlijden alleen aftrekbaar als het gaat om het overlijden van de belastingplichtige, zijn partner en zijn kinderen die jonger zijn dan 27 jaar. In 2002 werd de gezamenlijke huishouding beƫindigd als gevolg van het overlijden van de moeder terwijl deze nog geen zes maanden had geduurd. De kwalificatie als partner kon moeder alleen nog krijgen als zij en haar dochter in het voorgaande kalenderjaar hadden gekozen voor fiscaal partnerschap. Die keuze hadden zij echter niet gemaakt. Omdat de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2001 van de dochter al onherroepelijk vaststond op het moment dat zij bezwaar maakte tegen de aanslag IB 2001 kon de keuze voor fiscaal partnerschap in 2001 niet meer gemaakt worden.
Een meerderjarige vrouw voerde een huishouden met haar moeder tot deze op 17 juni 2002 overleed. In haar aangifte inkomstenbelasting over dat jaar bracht de dochter de kosten van het overlijden van haar moeder als buitengewone uitgaven in aftrek. De belastingdienst stond deze aftrek niet toe, omdat er geen sprake was van fiscaal partnerschap. Volgens de Wet IB 2001 zijn uitgaven wegens overlijden alleen aftrekbaar als het gaat om het overlijden van de belastingplichtige, zijn partner en zijn kinderen die jonger zijn dan 27 jaar. In 2002 werd de gezamenlijke huishouding beƫindigd als gevolg van het overlijden van de moeder terwijl deze nog geen zes maanden had geduurd. De kwalificatie als partner kon moeder alleen nog krijgen als zij en haar dochter in het voorgaande kalenderjaar hadden gekozen voor fiscaal partnerschap. Die keuze hadden zij echter niet gemaakt. Omdat de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2001 van de dochter al onherroepelijk vaststond op het moment dat zij bezwaar maakte tegen de aanslag IB 2001 kon de keuze voor fiscaal partnerschap in 2001 niet meer gemaakt worden.