
De gemeente Rotterdam heft reclamebelasting van openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Volgens Hof Den Haag zijn openbare aankondigingen alle tot het publiek gerichte mededelingen die bedoeld zijn om de belangstelling van het publiek te trekken. Een op een zijmuur van een bedrijfspand aangebrachte muurschildering was volgens het Hof geen openbare aankondiging, maar een kunstwerk. De zijmuur was zichtbaar vanaf de openbare weg. Het bedrijf dat in het pand was gevestigd was gespecialiseerd in bliksembeveiliging en ontstoringstechniek. Naast de muurschildering waren het logo van het bedrijf en enkele teksten aangebracht. De gemeente legde in eerdere jaren uitsluitend voor het logo en de teksten aanslagen in de reclamebelasting op. In een later jaar volgde ook een aanslag voor de muurschildering. Het Hof vernietigde deze aanslag omdat de muurschildering een unieke, artistieke uiting was en geen openbare aankondiging. In cassatie vernietigde de Hoge Raad de uitspraak van het Hof. Ook een unieke, artistieke muurschildering kan een tot het publiek gerichte mededeling zijn. De Hoge Raad verwees de zaak naar Hof Amsterdam. Hof Amsterdam stelde vast dat de muurschildering, ondanks het artistieke karakter, in combinatie met de bedrijfsaanduiding een tot het publiek gerichte mededeling was. Daaraan deed de andere bedoeling van de eigenaar voor het aanbrengen van de muurschildering niet af. Toch was ook Hof Amsterdam van oordeel dat de aanslag ten onrechte was opgelegd.
Het Hof kwam tot dat oordeel op basis van het vertrouwensbeginsel. De gemeentelijke heffingsambtenaar had in het verleden de situatie ter plaatse beoordeeld. Volgens het Hof kon de eigenaar van het pand er redelijkerwijs van uitgaan dat bij die controle de belastbaarheid van de muurschildering was onderzocht. Omdat er wel aanslagen voor de andere aankondigingen volgden en niet voor de muurschildering, mocht de eigenaar van het pand aannemen dat de heffingsambtenaar het standpunt huldigde dat de muurschildering niet belast was.