
Volgens de wet wordt motorrijtuigenbelasting geheven ter zake van het houden van een personenauto. De houder van een voertuig is:
1. de persoon op wiens naam het kenteken van een auto is gesteld;
2. de persoon die een auto zonder kenteken feitelijk ter beschikking heeft;
3. de persoon die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft.
De heffing van motorrijtuigenbelasting is niet beperkt tot ingezetenen van Nederland. Voor in het buitenland wonende mensen die in Nederland rijden met een auto met buitenlands kenteken geldt in veel gevallen een vrijstelling. In andere gevallen zal een kort belastingtijdvak van toepassing zijn. Voor een ingezetene van Nederland die de beschikking heeft over een auto met een buitenlands kenteken geldt de vrijstelling voor in het buitenland woonachtige houders niet en evenmin de toepassing van een verkort belastingtijdvak.
De in Nederland wonende dga van een in Duitsland gevestigde GmbH had de beschikking over een auto van de zaak met een Duits kenteken. Hoewel de dga niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling, had hij voor de auto geen motorrijtuigenbelasting betaald. De Belastingdienst legde hem daarom een naheffingsaanslag en een boete op. Zowel de Rechtbank Breda als Hof Den Bosch was van oordeel dat de naheffingsaanslag en de boete ten onrechte waren opgelegd. Volgens het hof was voor de heffing van motorrijtuigenbelasting vereist dat de hoogte van de belasting evenredig zou zijn aan het werkelijke gebruik van de personenauto in Nederland om in overeenstemming te zijn met Europese recht.
De Hoge Raad oordeelt anders. De motorrijtuigenbelasting is gerelateerd aan de duur van het houderschap en onderscheidt zich daardoor van een eenmalige registratiebelasting als de BPM. Het heffingstijdvak is drie maanden. Wie een in het buitenland geregistreerde personenauto voor minder dan drie maanden ter beschikking heeft, kan over het nog niet verstreken deel van dat tijdvak om teruggaaf van belasting vragen. De heffing van motorrijtuigenbelasting van een inwoner van Nederland voor een auto met een buitenlands kenteken die in Nederland wordt gebruikt is daarom niet een disproportionele heffing die in strijd is met het Europese recht. De naheffingsaanslag bleef daarom in stand. Wel werd de boete vernietigd omdat de dga een pleitbaar standpunt had ingenomen.