
Op drie winstuitdelingen, die een Nederlandse vennootschap in 2005 aan haar in Canada gevestigde aandeelhouder deed, hield de vennootschap 5% dividendbelasting in. Dat percentage was in overeenstemming met het belastingverdrag tussen Nederland en Canada. Volgens de wet op de Dividendbelasting hoefde geen dividendbelasting te worden ingehouden op deelnemingsdividenden of op dividenden aan een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde moedervennootschap, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
Aan deze voorwaarden was niet voldaan omdat de aandeelhouder naar Canadees recht was opgericht en in Canada was gevestigd. De aandelen in de Nederlandse vennootschap behoorden niet tot het vermogen van een vaste inrichting in Nederland van de Canadese moedermaatschappij.
Aan toetsing van de in de wet opgenomen voorwaarden betreffende het recht van oprichting, de plaats van vestiging en de fiscale onderworpenheid aan het EG-verdrag kwam de rechtbank niet toe.