Misbruik van recht bij ict-levering plezierjachten?
Een handelaar in plezierjachten leverde in 1997 een nieuw jacht via een ingewikkelde fiscale constructie die bedoeld is om plezierjachten door de tussenkomst van een in een andere EU-lidstaat gevestigde onderneming uiteindelijk omzetbelastingvrij aan particulieren gebruikers over te dragen. De handelaar verwerkte deze transactie als een intracommunautaire levering en paste daarop het nultarief toe. De in België gevestigde ondernemer verwerkte de transactie als een intracommunautaire verwerving. De inspecteur legde na een boekenonderzoek bij de leverancier een naheffingsaanslag op ter correctie van het nultarief. In de procedure voor Hof Den Haag gaf de inspecteur een uiteenzetting van de wijze waarop de constructie in de praktijk werkt. Beide partijen waren van mening dat alle transacties reëel waren en dat ter zake van de levering van het plezierjacht op zichzelf het nultarief terecht was toegepast. In geschil was of het nultarief wegens misbruik van recht niet mocht worden toegepast. Het Hof was van oordeel dat er onvoldoende gegevens waren om daaruit de conclusie te trekken dat de transacties voldeden aan de belangrijkste kenmerken voor misbruik. Volgens het Hof hadden de transacties het karakter van normale handelsactiviteiten. Het was nog maar de vraag of ter zake van de transactie met de uiteindelijke gebruiker heffing van Belgische omzetbelasting achterwege zou blijven en of bij de terugkeer van het plezierjacht in de EU geen heffing van omzetbelasting ter zake van invoer plaats zou hebben. Volgens het Hof werd het gewenste belastingvoordeel alleen maar behaald door de zo ingewikkelde opzet dat het in de praktijk voor de Nederlandse en Belgische douane- en belastingautoriteiten lastig is te beoordelen wat de aan de transacties verbonden omzetbelastingconsequenties zijn. Deze vaststelling bevestigde volgens het Hof de conclusie dat geen sprake was van misbruik van recht. Het Hof vernietigde daarom de opgelegde naheffingsaanslag.
Een handelaar in plezierjachten leverde in 1997 een nieuw jacht via een ingewikkelde fiscale constructie die bedoeld is om plezierjachten door de tussenkomst van een in een andere EU-lidstaat gevestigde onderneming uiteindelijk omzetbelastingvrij aan particulieren gebruikers over te dragen. De handelaar verwerkte deze transactie als een intracommunautaire levering en paste daarop het nultarief toe. De in België gevestigde ondernemer verwerkte de transactie als een intracommunautaire verwerving. De inspecteur legde na een boekenonderzoek bij de leverancier een naheffingsaanslag op ter correctie van het nultarief. In de procedure voor Hof Den Haag gaf de inspecteur een uiteenzetting van de wijze waarop de constructie in de praktijk werkt. Beide partijen waren van mening dat alle transacties reëel waren en dat ter zake van de levering van het plezierjacht op zichzelf het nultarief terecht was toegepast. In geschil was of het nultarief wegens misbruik van recht niet mocht worden toegepast. Het Hof was van oordeel dat er onvoldoende gegevens waren om daaruit de conclusie te trekken dat de transacties voldeden aan de belangrijkste kenmerken voor misbruik. Volgens het Hof hadden de transacties het karakter van normale handelsactiviteiten. Het was nog maar de vraag of ter zake van de transactie met de uiteindelijke gebruiker heffing van Belgische omzetbelasting achterwege zou blijven en of bij de terugkeer van het plezierjacht in de EU geen heffing van omzetbelasting ter zake van invoer plaats zou hebben. Volgens het Hof werd het gewenste belastingvoordeel alleen maar behaald door de zo ingewikkelde opzet dat het in de praktijk voor de Nederlandse en Belgische douane- en belastingautoriteiten lastig is te beoordelen wat de aan de transacties verbonden omzetbelastingconsequenties zijn. Deze vaststelling bevestigde volgens het Hof de conclusie dat geen sprake was van misbruik van recht. Het Hof vernietigde daarom de opgelegde naheffingsaanslag.