Middelingsregeling niet discriminerend
De Wet op de Inkomstenbelasting kent een regeling ter voorkoming van een relatief hoge belastingdruk bij sterk wisselende jaarinkomens. Deze zogenaamde middelingsregeling houdt in, dat van de inkomens over een periode van drie aaneengesloten kalenderjaren het gemiddelde wordt bepaald, waarna voor ieder jaar de belasting wordt berekend over dat gemiddelde inkomen. Als het totaal van die belastingberekening lager is dan de geheven belasting over deze jaren wordt op verzoek een teruggaaf van belasting verleend.
Volgens de Rechtbank levert het geen verboden discriminatie op dat de belasting vóór toepassing van de heffingskorting wordt aangemerkt als over de jaren van het middelingstijdvak geheven belasting.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de middelingsregeling is bedoeld om progressienadelen in de belastingheffing bij ongelijkmatig genoten inkomsten te beperken en niet om alsnog heffingskorting te claimen voor jaren waarin niet voldoende is verdiend om de heffingskorting te gelde te maken. Er kan daardoor sprake zijn van een ongelijke behandeling, maar de wetgever heeft een ruime beoordelingsmarge. Volgens de Hoge Raad is de wetgever binnen de marge gebleven bij de middelingsregeling.
De Wet op de Inkomstenbelasting kent een regeling ter voorkoming van een relatief hoge belastingdruk bij sterk wisselende jaarinkomens. Deze zogenaamde middelingsregeling houdt in, dat van de inkomens over een periode van drie aaneengesloten kalenderjaren het gemiddelde wordt bepaald, waarna voor ieder jaar de belasting wordt berekend over dat gemiddelde inkomen. Als het totaal van die belastingberekening lager is dan de geheven belasting over deze jaren wordt op verzoek een teruggaaf van belasting verleend.
Volgens de Rechtbank levert het geen verboden discriminatie op dat de belasting vóór toepassing van de heffingskorting wordt aangemerkt als over de jaren van het middelingstijdvak geheven belasting.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de middelingsregeling is bedoeld om progressienadelen in de belastingheffing bij ongelijkmatig genoten inkomsten te beperken en niet om alsnog heffingskorting te claimen voor jaren waarin niet voldoende is verdiend om de heffingskorting te gelde te maken. Er kan daardoor sprake zijn van een ongelijke behandeling, maar de wetgever heeft een ruime beoordelingsmarge. Volgens de Hoge Raad is de wetgever binnen de marge gebleven bij de middelingsregeling.