Met vruchtgebruik belaste onroerende zaak bij leven verkocht: geen fictieve verkrijging
Bij de heffing van het successierecht, de belasting over erfenissen, spelen ficties een belangrijke rol. Op grond van dergelijke ficties worden bepaalde zaken tot de nalatenschap gerekend, terwijl ze daar formeel niet toe behoren. Een van die fictieve verkrijgingen betreft de overdracht van goederen bij leven tussen familieleden, waarbij het gebruik achterblijft bij de overdragende partij. De ouders verkochten bij leven de blote eigendom van een aantal weilanden aan hun kinderen. Het vruchtgebruik bleef bij de ouders. Een deel van die weilanden werd vervolgens aan de gemeente verkocht. Na overlijden van een van de ouders wilde de inspecteur alle weilanden als fictieve verkrijging betrekken in de aanslag successierecht. Volgens Hof Den Bosch kon dat niet voor de verkochte weilanden, omdat bij de verkoop van de blote eigendom de wettelijke regeling, dat het vruchtgebruik na verkoop op de vervangende goederen rust, nog niet was ingevoerd. Uit de akte bleek niet, dat partijen die voortzetting van het vruchtgebruik wilden regelen. Voor de bepaling van de waarde van de fictieve verkrijging mocht worden uitgegaan van de volle waarde van de weilanden op het moment van verkoop van de blote eigendom, voorzover de weilanden nog in blote eigendom waren, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik op het leven van de andere ouder, uitgaande van zijn leeftijd op het moment van overlijden van zijn echtgenote.
Bij de heffing van het successierecht, de belasting over erfenissen, spelen ficties een belangrijke rol. Op grond van dergelijke ficties worden bepaalde zaken tot de nalatenschap gerekend, terwijl ze daar formeel niet toe behoren. Een van die fictieve verkrijgingen betreft de overdracht van goederen bij leven tussen familieleden, waarbij het gebruik achterblijft bij de overdragende partij. De ouders verkochten bij leven de blote eigendom van een aantal weilanden aan hun kinderen. Het vruchtgebruik bleef bij de ouders. Een deel van die weilanden werd vervolgens aan de gemeente verkocht. Na overlijden van een van de ouders wilde de inspecteur alle weilanden als fictieve verkrijging betrekken in de aanslag successierecht. Volgens Hof Den Bosch kon dat niet voor de verkochte weilanden, omdat bij de verkoop van de blote eigendom de wettelijke regeling, dat het vruchtgebruik na verkoop op de vervangende goederen rust, nog niet was ingevoerd. Uit de akte bleek niet, dat partijen die voortzetting van het vruchtgebruik wilden regelen. Voor de bepaling van de waarde van de fictieve verkrijging mocht worden uitgegaan van de volle waarde van de weilanden op het moment van verkoop van de blote eigendom, voorzover de weilanden nog in blote eigendom waren, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik op het leven van de andere ouder, uitgaande van zijn leeftijd op het moment van overlijden van zijn echtgenote.