
De staatssecretaris heeft de memorie van antwoord inzake het Belastingplan 2012 naar de Eerste Kamer gestuurd. In de memorie van antwoord gaat de staatssecretaris ondermeer in op de renteaftrekbeperking voor overnameholdings, de objectvrijstelling vaste inrichting en de wijzigingen in de 30%-regeling.
Renteaftrekbeperking
Als een overname door de overnemende maatschappij met vreemd vermogen is gefinancierd en er tussen overnemer en overgenomen partij een fiscale eenheid bestaat, moet elk jaar winstsplitsing plaatsvinden om te bepalen of de overnamerente mogelijk in aftrek wordt beperkt. De winst moet gesplitst worden in het aandeel van de verworven maatschappij en het aandeel van de overnemende maatschappij. Met dat laatste deel mag de overnamerente verrekend worden. Dat geldt tot de overnameschuld volledig is afgelost of de overgenomen maatschappij is ontvoegd. De staatssecretaris bevestigt dat de overnameschulden en verkrijgingsprijzen van alle in een jaar gevoegde dochtermaatschappijen moeten worden samengeteld om te beoordelen of er in het betreffende jaar sprake is van overnameschulden.
De door de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs aangedragen suggestie om overnamerente die in een jaar niet aftrekbaar is, alsnog te verrekenen indien en voor zover in een voorafgaand jaar de maximale ruimte voor renteaftrek niet is benut, neemt de staatssecretaris niet over.
Objectvrijstelling vaste inrichting
Bij de formulering van de winst uit een buitenlandse vaste inrichting is in de regeling voor de objectvrijstelling voor vaste inrichtingen in de vennootschapsbelasting de terminologie uit het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 als uitgangspunt gekozen. Er is geen verschil tussen de winst die op grond van een belastingverdrag wordt vrijgesteld en winst die op basis van de objectvrijstelling wordt vrijgesteld. De staatssecretaris geeft aan dat de wettekst te gelegener tijd zal worden aangepast door daarin het woord toerekening op te nemen.
30%-regeling
In een tijdschriftartikel wordt betoogd dat de voorgestelde 150 kilometerzone voor de toepassing van de 30%-regeling in strijd is met het recht van de EU. De staatssecretaris meent dat er geen sprake is van discriminatie door het opnemen van een zone van 150 kilometer vanaf de Nederlandse grens. Deze grens is gekozen omdat aangenomen wordt dat een werknemer die minder dan 150 kilometer van de Nederlandse grens woont slechts beperkt extraterritoriale kosten zal hebben. Een forfaitaire kostenvergoeding van 30% is in deze gevallen te ruim.