
De belastingdienst legde aan een vennootschap onder firma (vof) die een restaurant exploiteerde een naheffingsaanslag omzetbelasting op. Volgens de belastingdienst was sprake van verzwegen omzet. De omzetcorrectie had ook gevolgen voor de inkomens van beide firmanten. Ieders inkomen werd met de helft van de omzetcorrectie verhoogd vanwege de overeengekomen winstverdeling. Er werd een boete opgelegd omdat de firmanten opzettelijk een onjuiste aangifte hadden gedaan. In de procedure die volgde vond het gerechtshof dat de belastingdienst erin was geslaagd opzet van de belanghebbenden aannemelijk te maken. De opgelegde boete van 50% van de over de verzwegen omzet verschuldigde belasting vond het hof in beginsel passend en geboden. Toch werd de boete verminderd omdat omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet doen van de juiste aangifte was toegepast. Het hof vond dat aanleiding om de boete te matigen tot 40%. Een volgende aanleiding tot vermindering van de boete was dat voor dezelfde gedraging drie vergrijpboetes waren opgelegd, namelijk aan beide belanghebbenden en aan de vof.