Maatstaf van heffing bij levering pand
Een gemeente liet in 2001 een gezamenlijke nieuwe huisvesting voor de bibliotheek en een school bouwen voor € 3,5 miljoen exclusief omzetbelasting. De gemeente verhuurde het gebouw sinds 2002. De verhuur aan de bibliotheek was belast met omzetbelasting; de verhuur aan de school was (verplicht) vrijgesteld van omzetbelasting. Bij de ingebruikneming van het gebouw heeft de gemeente ruim € 0,5 miljoen aan omzetbelasting voldaan. Dit bedrag had betrekking op het aan de school toe te rekenen deel van de voortbrengingskosten van het gebouw. De gemeente verkocht het gebouw in verhuurde staat aan een stichting voor een bedrag van € 453.780 inclusief BTW. De gemeente verstrekte aan de stichting voor het totaalbedrag een geldlening.
De gemeente verzocht in verband met de verkoop op grond van de herzieningsregeling om teruggaaf van 85% van de bij de ingebruikname van het gebouw afgedragen integratieheffing. De belastingdienst legde een naheffingsaanslag op aan de gemeente voor het verschil tussen de voortbrengingskosten van het gebouw en de met de stichting overeengekomen koopsom. Volgens de belastingdienst bestond de tegenprestatie voor de levering aan de stichting uit meer dan alleen de overeengekomen koopsom. Daarvoor is nodig een rechtstreeks verband tussen de verrichte prestatie en de daarvoor ontvangen tegenprestatie. Uit het verschil tussen de voortbrengingskosten en de koopsom viel volgens de rechtbank niet zonder meer op te maken dat de gemeente van de stichting ook een vergoeding anders dan in geld had ontvangen. De belastingdienst maakte dat in ieder geval niet aannemelijk. De rechtbank Leeuwarden vernietigde daarom de naheffingsaanslag. Het gerechtshof Leeuwarden heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Een gemeente liet in 2001 een gezamenlijke nieuwe huisvesting voor de bibliotheek en een school bouwen voor € 3,5 miljoen exclusief omzetbelasting. De gemeente verhuurde het gebouw sinds 2002. De verhuur aan de bibliotheek was belast met omzetbelasting; de verhuur aan de school was (verplicht) vrijgesteld van omzetbelasting. Bij de ingebruikneming van het gebouw heeft de gemeente ruim € 0,5 miljoen aan omzetbelasting voldaan. Dit bedrag had betrekking op het aan de school toe te rekenen deel van de voortbrengingskosten van het gebouw. De gemeente verkocht het gebouw in verhuurde staat aan een stichting voor een bedrag van € 453.780 inclusief BTW. De gemeente verstrekte aan de stichting voor het totaalbedrag een geldlening.
De gemeente verzocht in verband met de verkoop op grond van de herzieningsregeling om teruggaaf van 85% van de bij de ingebruikname van het gebouw afgedragen integratieheffing. De belastingdienst legde een naheffingsaanslag op aan de gemeente voor het verschil tussen de voortbrengingskosten van het gebouw en de met de stichting overeengekomen koopsom. Volgens de belastingdienst bestond de tegenprestatie voor de levering aan de stichting uit meer dan alleen de overeengekomen koopsom. Daarvoor is nodig een rechtstreeks verband tussen de verrichte prestatie en de daarvoor ontvangen tegenprestatie. Uit het verschil tussen de voortbrengingskosten en de koopsom viel volgens de rechtbank niet zonder meer op te maken dat de gemeente van de stichting ook een vergoeding anders dan in geld had ontvangen. De belastingdienst maakte dat in ieder geval niet aannemelijk. De rechtbank Leeuwarden vernietigde daarom de naheffingsaanslag. Het gerechtshof Leeuwarden heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd.