
Voor het bestaan van een dienstbetrekking moeten drie elementen aanwezig zijn:
a. de verplichting van de werknemer tot het persoonlijk verrichten van arbeid;
b. de gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer;
c. de verplichting van de werkgever om loon te betalen.
Discussies over het al dan niet bestaan van een dienstbetrekking gaan veelal over de aanwezigheid van een gezagsverhouding, omdat de andere twee elementen eenvoudiger te constateren zijn.
Een winkelier betaalde mensen om op zekere tijden in de winkel aanwezig te zijn. De aanwezigheid was gewenst om veiligheidsredenen. Hoewel deze mensen geen werkzaamheden verrichtten in de winkel, was de rechtbank van oordeel, dat hun aanwezigheid kon worden aangemerkt als het verrichten van arbeid. Hun functie was het verminderen van het risico van een overval op de winkel en het vergroten van het gevoel van veiligheid bij de winkelier. De winkelier maakte gebruik van een vaste groep van personen. Zij konden zich niet laten vervangen door willekeurige derden en spraken steeds met de winkelier af wanneer en hoelang zij in de winkel aanwezig zouden zijn.
Voor het bestaan van een gezagsverhouding is de mogelijkheid om gezag uit te oefenen voldoende. Gelet op de feitelijke gang van zaken vond de rechtbank dat er een gezagsverhouding bestond tussen de winkelier en de ingezette personen. De betaling van loon was geen punt van discussie. Omdat alle elementen voor het bestaan van een dienstbetrekking aanwezig waren, had op de loonbetalingen loonheffing moeten worden ingehouden. Dat had de winkelier niet gedaan. De belastingdienst had hem daarom terecht een naheffingsaanslag opgelegd.