
Werkgevers zijn wettelijk verplicht om het loon van zieke werknemers gedurende 104 weken door te betalen. Het UWV kan besluiten tot verlenging van de loondoorbetalingsverplichting met maximaal 52 weken, wanneer de werkgever niet voldoet aan zijn re-integratieverplichtingen. Wanneer een dergelijke loonsanctie is opgelegd, kan het UWV deze verkorten als de werkgever aantoont dat hij zijn tekortkomingen in het re-integratietraject heeft hersteld.
Het UWV besloot op 8 december 2008 dat een opgelegde loonsanctieperiode werd bekort tot 19 januari 2009 omdat de werkgever zijn tekortkomingen in het re-integratietraject inmiddels had hersteld. De werknemer maakte tegen dat besluit bezwaar en ging vervolgens tegen de afwijzing van zijn bezwaar in beroep. De rechtbank was van oordeel dat het UWV de loondoorbetalingsverplichting terecht had bekort. De werknemer ging tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Centrale Raad van Beroep was van oordeel dat het UWV de in de eigen interne werkinstructie vastgelegde gedragslijn niet correct had toegepast. Volgens deze werkinstructie moet een werkgever met het externe re-integratietraject beginnen ook al kan dat door omstandigheden pas zo laat dat de werkgever het traject niet kan voltooien. Doet de werkgever dat niet, dan legt het UWV de loonsanctie op. Die kan op verzoek van de werkgever worden bekort als de werkgever start met een traject en de financiering daarvan op zich neemt en daarmee zijn eerdere verzuim herstelt. In dit geval wist de werkgever al in februari 2008 dat hij voor de werknemer een tweede spoortraject moest starten. Het re-integratiebureau had een voorstel voor een opleiding gedaan. De werkgever tekende de offerte met betrekking tot het gegeven advies, maar gaf daaraan geen uitvoering. Volgens de Centrale Raad van Beroep kon in dit geval niet gezegd worden dat de werkgever redelijkerwijs het tweede spoor niet eerder had kunnen starten. De loonsanctie was ten onrechte verkort.