Liquidatieverlies dochter viel onder beperking verrekening
De Wet op de Vennootschapsbelasting kent de mogelijkheid van verrekening van verliezen met winsten van andere jaren. Ter bestrijding van de handel in zogenaamde verliesvennootschappen kunnen verliezen van een vennootschap die de onderneming heeft gestaakt na overdracht van de aandelen niet worden verrekend met later behaalde winsten. Die bepaling geldt volgens Hof Arnhem ook voor verliezen die in fiscale zin pas na een aandeelhouderswisseling zijn gerealiseerd maar voortvloeien uit de periode voor die wisseling. Het Hof kwam tot deze uitspraak in een procedure die betrekking had op een BV (BV 1) waarvan eind 1998 alle aandelen werden verkocht. BV 1 had een 100% dochtermaatschappij, BV 2. De nieuwe aandeelhouder van BV 1 was ook de enige aandeelhouder van een andere vennootschap (BV 3) die zich bezighield met beleggingsactiviteiten in beursgenoteerde effecten. BV 3 had aanzienlijke stille reserves. BV 1 gaf aan de houdstermaatschappij een nieuw aandeel uit dat werd volgestort door de inbreng van alle aandelen in BV 2. Met ingang van 1 januari 1999 vormden de BV’s 1 en 3 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. In de loop van 1999 werd BV 2 geliquideerd. BV 1 verwerkte in de aangifte vennootschapsbelasting een liquidatieverlies op de deelneming BV 2 van ƒ 245.229.000. Dat verlies moest de winst van BV 3 compenseren.
De inspecteur weigerde de verrekening van het liquidatieverlies. Hof Arnhem stelde vast dat BV 1 tot 1997 een onderneming had gedreven. Ten tijde van de overdracht van de aandelen in BV 1 was dat niet meer het geval, waardoor de beperking van de verliesverrekening van toepassing was.
De Wet op de Vennootschapsbelasting kent de mogelijkheid van verrekening van verliezen met winsten van andere jaren. Ter bestrijding van de handel in zogenaamde verliesvennootschappen kunnen verliezen van een vennootschap die de onderneming heeft gestaakt na overdracht van de aandelen niet worden verrekend met later behaalde winsten. Die bepaling geldt volgens Hof Arnhem ook voor verliezen die in fiscale zin pas na een aandeelhouderswisseling zijn gerealiseerd maar voortvloeien uit de periode voor die wisseling. Het Hof kwam tot deze uitspraak in een procedure die betrekking had op een BV (BV 1) waarvan eind 1998 alle aandelen werden verkocht. BV 1 had een 100% dochtermaatschappij, BV 2. De nieuwe aandeelhouder van BV 1 was ook de enige aandeelhouder van een andere vennootschap (BV 3) die zich bezighield met beleggingsactiviteiten in beursgenoteerde effecten. BV 3 had aanzienlijke stille reserves. BV 1 gaf aan de houdstermaatschappij een nieuw aandeel uit dat werd volgestort door de inbreng van alle aandelen in BV 2. Met ingang van 1 januari 1999 vormden de BV’s 1 en 3 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. In de loop van 1999 werd BV 2 geliquideerd. BV 1 verwerkte in de aangifte vennootschapsbelasting een liquidatieverlies op de deelneming BV 2 van ƒ 245.229.000. Dat verlies moest de winst van BV 3 compenseren.
De inspecteur weigerde de verrekening van het liquidatieverlies. Hof Arnhem stelde vast dat BV 1 tot 1997 een onderneming had gedreven. Ten tijde van de overdracht van de aandelen in BV 1 was dat niet meer het geval, waardoor de beperking van de verliesverrekening van toepassing was.