
In verband met een op een aantal terreinen gunstiger belastingregime zijn nogal wat Nederlanders geëmigreerd naar België. Het na emigratie liquideren van een vennootschap was in België voordeliger dan in Nederland. Wanneer iemand met de Nederlandse nationaliteit binnen vijf jaren na zijn emigratie een liquidatie-uitkering ontving moest worden vastgesteld waar de vennootschap op dat moment was gevestigd. Nederland mocht namelijk belasting heffen over de liquidatie-uitkering wanneer de vennootschap in Nederland was gevestigd.
Voor een vennootschap die op grond van het nationale recht in beide landen is gevestigd, is de plaats waar de werkelijke leiding van de vennootschap is gelegen doorslaggevend.
Hof Arnhem besliste in een procedure dat de plaats van de werkelijke leiding van een vennootschap in de jaren 1995 tot en met
Volgens de staatssecretaris van Financiën had het hof de bewijslast om moeten keren omdat de vereiste aangifte niet was gedaan. De Hoge Raad deelt deze opvatting niet. Voor de inkomstenbelasting geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte alleen dan de vereiste aangifte niet is gedaan als de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. In deze procedure ging het over de vraag of de liquidatie-uitkering in Nederland belastbaar was en dus ook of het niet opnemen van de liquidatie-uitkering een ernstig inhoudelijk gebrek van de aangifte vormde. Die vraag moest worden beantwoord aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. Het hof beantwoordde die vraag ontkennend en verbond daarom terecht aan het aangifteverzuim geen consequenties voor de verdeling van de bewijslast.